|
Essay:
|
J.M. Luthmann (1890-1973 Julius Maria Luthmann werd op 28 januari 1890 in Maastricht geboren.(1) Na zijn opleiding tot bouwkundig tekenaar in Rotterdam was hij van 1912 tot 1915 in Den Haag werkzaam, waarna hij voor verdere opleiding naar Amsterdam vertrok.(2) Daar woonde hij ook toen hij van ... meer
J.M. Luthmann (1890-1973
Julius Maria Luthmann werd op 28 januari 1890 in Maastricht geboren.(1) Na zijn opleiding tot bouwkundig tekenaar in Rotterdam was hij van 1912 tot 1915 in Den Haag werkzaam, waarna hij voor verdere opleiding naar Amsterdam vertrok.(2) Daar woonde hij ook toen hij van 1919 tot in 1923 in dienst was van landsgebouwen. In 1923 vestigde hij zich in Den Haag, waar hij tot zijn overlijden in april 1973 bleef wonen.(3) Op 18 mei 1932 trouwde hij in Den Haag met W. Buitenveld.(4) In 1929 werd bij een typering van de architecten, die voor de besloten prijsvraag voor het nieuwe raadhuis van Den Haag waren uitgenodigd, in een brief geschreven dat Luthmann een 'kalm persoon' was, die hulp nodig zou hebben voor het 'technisch gedeelte'.(5) Deze typering lijkt niet geheel onterecht, aangezien hij vaker met ingenieurs samenwerkte. Dit was het geval bij zijn eerste grote opdracht, het radiotelegrafisch zendstation in Kootwijk, maar bijvoorbeeld ook bij zijn kerk aan de Rietzangerlaan in Den Haag. Het valt echter wel op, dat Luthmann vaak uit eigen beweging bijzondere constructies in zijn ontwerpen opnam, zoals de grote glazen overkapping in het niet uitgevoerde ontwerp voor het raadhuis van Enschede. Hij zag blijkbaar zijn eigen beperkingen en schakelde, indien nodig, hulp in.(6)
De opleidingstijd
Zijn opleiding tot bouwkundig tekenaar volgde Luthmann omstreeks 1910 aan de Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen in Rotterdam, waar onder anderen Van der Kloot Meyburg, Van Goor, Nieuwenhuizen en Otten doceerden. Ook was Luthmann enige tijd werkzaam op het bureau van Otten. Van groot belang voor Luthmann was de komst van W. Kromhout als hoofdleraar bouwkunst.(7) Kromhouts plastische architectuuropvatting en monumentale stompe torens (zoals in zijn raadhuisontwerp voor Rotterdam uit 1913) misten hun uitwerking op Luthmann niet, zoals uit het in gewapend beton opgetrokken radiostation bij Kootwijk blijkt.(8) In 1912 kwam Luthmann, die nog in opleiding was, voor enkele jaren in dienst van Gemeentewerken van 's-Gravenhage.(9) Hij bewaarde daaraan geen goede herinneringen. In zijn 'Terugblik' uit 1960 werd hierover om die reden nadrukkelijk niets gezegd: 'Na deze studie [Rotterdam] kwam ik in dienst van een gemeente die ik hier niet noemen zal. Ik heb er enige bouwwerken ontworpen waar ik nu, als ik er toevallig nog eens kom, met een grote boog omheen loop.' Verderop in dat artikel bekritiseerde Luthmann het Haagse stedenbouwkundige beleid, maar wellicht heeft ook het stranden van zijn raadhuisproject zijn mening over Den Haag negatief be?nvloedt. In 1915 vertrok hij naar Amsterdam. Door zijn werkzaamheden op het bureau van de zeer breed geori?nteerde Eduard Cuypers kwam hij in contact met de ontwikkelingen op architectonisch gebied in het buitenland, zoals in Groot-Brittanni?, Oostenrijk, Scandinavi? en Duitsland. Behalve voor Otten en Cuypers werkte Luthmann ook voor het bureau van H.A.J. en J. Baanders, waar hij in 1917 begon, en waar hij meewerkte aan projecten als het tuindorp `Heyplaat' in Rotterdam, een niet uitgevoerd project voor een tuindorp voor de Oranje Nassaumijn in Heerlen en 'vele banken'. Op dit bureau werkten veel jonge architecten, die een grote vrijheid genoten. Luthmann zegt hierover: 'Wijlen Herman Baanders gunde zijn medewerkers veel initiatief, wat het bureau voor aankomende architecten aantrekkelijk maakte. Zelf trad hij hoofdzakelijk kritiserend en vermanend op.' De strakkere, vaak monumentale variant van de Amsterdamse school zoals we die bij het bureau Baanders zien, maakte ongetwijfeld indruk op Luthmann, zoals uit zijn radiozendstation in Kootwijk (eerste ontwerp 1919) blijkt. Een dergelijke architectuur zien we bijvoorbeeld ook bij W.A. Maas, die bekend werd door zijn Da Costaschool in Utrecht (1923) en die ook op het bureau Baanders werkte.(10) Vanaf 1915 volgde Luthmann in Amsterdam de cursus Voortgezette en Hogere Bouwkunst, die op initiatief van W. Kromhout was opgezet. Het examen, dat door Van der Mey werd afgenomen, haalde hij niet, maar die schade moet hij later hebben ingehaald, aangezien hij in 1929-1930 zelf V.H.B.O.-docent werd. Luthmann schreef in zijn 'Terugblik' uit 1960, dat ten gevolge van de door de Eerste Wereldoorlog veroorzaakte slechte economische omstandigheden, veel architecten in overheidsdienst probeerden te komen. Hij zelf werkte van 1915 tot 1917 bij de Afdeeling Gebouwen van Publieke Werken van Amsterdam, waarvan toen ook architecten als De Klerk, P.L. Kramer, Rutgers en Boeken opdrachten kregen. Aangezien in de 'herenboekjes' deze architecten niet vermeld zijn, hadden zij geen vaste aanstelling.(11) Van Luthmann is bekend dat hij studiereizen naar Scandinavi?, Itali?, Frankrijk, Belgi? en Duitsland maakte. Van een reis naar Frankrijk is nog een reisschets bewaard.(12)
Verdere loopbaan
Tot een afronding van de V.H.B.O.-cursus kwam het aanvankelijk niet, omdat Luthmann meteen nadat hij voor zijn examen gezakt was een baan kreeg: 'Toen kwam dat telefoontje van Blaauw. Of ik wilde komen werken op het bureau van de Rijksbouwmeester, in het 2e district [moet zijn: Landsgebouwen, 1ste district], ir. Theeuwisse [= ir. H. Th. Teeuwisse].'.(13) De opdracht die hij daar kreeg zou zijn bekendste werk worden: het radiostation in Kootwijk, waaraan hij van 1919 tot 1923 werkzaam was. Luthmann werd op 16 mei 1919 als tijdelijk opzichter bij Landsgebouwen, eerste district, aangenomen, maar kreeg op 3 juli 1920 per K.B. met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 1920 een aanstelling als architect in vaste dienst. Op 27 september 1923 kreeg hij als gevolg van de reorganisatie die tot vorming van de Rijksgebouwendienst leidde, eervol ontslag.(14) Voor `Kootwijk' werkte hij samen met ir. J. Emmen, die later om zijn betonbouw bekend zou worden. Enige jaren na Luthmanns ontslag bij de reorganisatie van 1923, op 7 februari 1927, kreeg hij op eigen verzoek een getuigschrift van de Rijksgebouwendienst; het is echter niet bekend waarvoor hij dat nodig had.(15) In 1923 vestigde Luthmann zich als particulier architect in Den Haag, waar hij geen eigen bureau had, maar met anderen samenwerkte, vooral met Gemeentewerken. In 1929-1930 trad hij op als docent bij het Voortgezet en Hooger Bouwkunst-Onderwijs in Amsterdam. Nadat Luthmann in 1933 de Haagse raadhuisprijsvraag had gewonnen, was hij van 1934 tot 1943 in tijdelijke dienst bij Gemeentewerken van 's-Gravenhage. Daarnaast was hij van 12 maart 1934 tot 1 januari 1936 tijdelijk assistent in Delft. Luthmann nam in 1943 ontslag bij Gemeentewerken omdat hij weigerde als opzichter bij het puinruimen dienst te doen in de stadsdelen die voor Duitse verdedigingswerken werden gesloopt. Na die tijd bleef hij, ook bij de latere stadhuisbouw, als particulier architect werkzaam.(16) Vanaf 1952 werkte Luthmann met de architect W. Prent samen, met wie hij zich op 1 juni 1963 associeerde. Nadat Luthmann zijn werkzaamheden op 1 juli 1967 be?indigd had associeerde Prent zich met de architect W. Landman, waardoor het bureau Prent & Landman ontstond. Luthmann bleef als adviseur werkzaam. Gezamenlijke werken van Luthmann en Prent zijn het Rode Kruisziekenhuis in Den Haag en het agentschap van de Nederlandsche Bank in Eindhoven, beide voltooid in 1960.(17)
Luthmanns rol in architectuurdiscussies
Luthmann heeft zich altijd zeer actief ingelaten met de architectuurdiscussies waarmee hij te maken kreeg. De eerste belangrijke reden om naar de pen te grijpen was de reorganisatie van de rijksbouwbureaus. Al tijdens Luthmanns werk in Kootwijk begon een reorganisatie van die bureaus, die onder verschillende ministeries vielen. Vanaf 1 augustus 1922 was er een administratieve Afdeling Rijksgebouwen, hoewel het oude districtenstelsel voorlopig bleef bestaan. Op 27 september 1923, kort na de voltooiing van Kootwijk, werden de bouwbureaus ingrijpender gereorganiseerd, waarbij bij landsgebouwen tot 1924 geleidelijk meer dan de helft van het personeel werd ontslagen, waaronder ook Luthmann, die op 1 november eervol ontslag kreeg. Vanaf 1 januari 1924 was het districtenstelsel van Landsgebouwen opgeheven en was door samenvoeging met drie andere bouwbureaus (uit het totaal van dertien) de Rijksgebouwendienst gevormd. Naar aanleiding van de dreigende reorganisatie schreef Luthmann in 1922 over het belang van goede overheidsgebouwen, wees op het feit dat de kamerleden niet genoeg over de verbeteringen op dit gebied waren ingelicht en bekritiseerde de kunstenaars- en architectenverenigingen, die zich nauwelijks met de discussie over de verhouding architect-overheid bemoeiden.(18) Een andere zaak waar Luthmann zich veel mee bezig hield was de Haagse raadhuiskwestie. In de discussie over de toekomstige locatie van het nieuwe raadhuis kwam hij met het idee om aan de Hofvijver te gaan bouwen. Hiervoor maakte hij in 1925 een ontwerp dat in het tijdschrift Architectura en de krant Het Vaderland gepubliceerd werd. Dit plan werd niet uitgevoerd, maar in 1934 kreeg hij alsnog de opdracht voor het raadhuis, nadat hij de hiervoor uitgeschreven prijsvraag had gewonnen. De andere inzenders waren: J.F. Staal, A.J. Kropholler, W.M. Dudok, D. Roosenburg en P.L. Kramer. Luthmanns mededingers waren dus zeker niet de geringsten. Het jury-oordeel over zijn ontwerp was slechts matig positief. Bij de bouw zou het Luthmann niet mee zitten: na uitwerking en aanpassing van het oorspronkelijke ontwerp brak de Tweede Wereldoorlog uit, waardoor er niet gebouwd werd. Na de voltooiing van het kantoorgedeelte strandde de bouw om financi?le redenen. Luthmann bleef nadenken over de voltooiing, maar de plannen kwamen niet tot uitvoering. Ondanks alles werd hij bij de opening van het kantoorgedeelte in 1953 tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau benoemd.(19)
Activiteiten voor verenigingen, organisaties
In 1925, toen hij zijn eerste raadhuisplan publiceerde, was Luthmann een actief lid van het Genootschap Architectura et Amicitia, waar hij van 1916-1932 en 1956-1960 stond ingeschreven. Hij was redactielid van het tijdschrift Architectura tussen 1921 en 1926. In 1922-1923 was hij voor dit genootschap lid van de Amsterdamse Tentoonstellingsraad en in de jaren '50-'60 van de Haagse Welstandsraad. Luthmann was ook lid van de B.N.A. Hij zette zich daar herhaaldelijk in voor een grotere rol van de architectenverenigingen, bijvoorbeeld bij de door de overheid te nemen beslissingen. Hij verweet de verenigingen nog al eens dat ze te passief waren.(20) In de jaren dertig behoorde Luthmann met Berlage, Dudok, Gratama, Hulshoff, Van der Kloot Meijburg en J.F. Staal tot de redactie van het twintigdelige werk Moderne bouwkunst in Nederland, dat uit fotoboeken en een inleidend deel bestond. E?n van de twee inleidende hoofdstukken was van zijn hand en getuigde van een voorkeur voor de meer traditionele richting in de moderne architectuur. Hij haalde hierin, als hij over het symbolische van de middeleeuwse architectuur sprak, Der Geist der Gotik van Karl Scheffler aan. Verder uitte hij in dit hoofdstuk zijn bewondering voor Dudok, wiens invloed op hem al sinds het transformatorstation voor Radio Kootwijk (1921) goed te zien was.(21) Tot zijn andere activiteiten behoorde zijn functie als adviseur van de Carnegiestichting en in 1941-42 het jurylidmaatschap bij de prijsvraag voor een crematorium van de afdeling Den Haag van de Vereeniging voor Facultatieve Lijkverbranding. Ook was hij in 1965 jurylid bij de A.J. van Eckstichting, die eens in de vijf jaar een prijs uitreikte voor een gebouw waarin de constructie zo zuiver mogelijk was ge?ntegreerd.(22)
Invloeden in Luthmanns oeuvre
Luthmann maakte, zoals gezegd, al via het bureau van Ed. Cuypers kennis met velerlei opvattingen over architectuur. Bij zijn vroege werk viel vooral de invloed van zijn eerder genoemde leermeester Kromhout op, en daarnaast de belangrijke Scandinavische invloed zoals die onder Amsterdamse school-architecten algemeen was. Bij Luthmann leek, net als bij de voor hetzelfde bureau van landsgebouwen werkzame J. Crouwel Jr., vooral de invloed van Eliel Saarinen van belang, een architect die tussen 1910 en 1920 grote bekendheid genoot. Met name de eerste versie van het ontwerp voor het radiostation in Kootwijk laat dit zien. De later verticaal benadrukte raamtracering is hier nog horizontaal, en ook de vorm van de hal, met in travee?n verdeelde wanden, een getrapte kap en een gevel met een monumentaal boogvenster ondersteunen deze indruk. Het grote gesloten vlak van de achtergevel met het door twee veelhoekige uitbouwen geflankeerde boogvenster en het interieur van de hal herinneren aan het toen zeer bekende station van Helsinki, dat Saarinen in 1918 een eredoctoraat had opgeleverd. Luthmanns aandacht richtte zich waarschijnlijk al eerder op Saarinen, omdat het al genoemde examen (waarvoor hij zakte vlak voor hij naar Landsgebouwen ging) bestond uit een opdracht voor een groep regeringsgebouwen. Luthmann schreef in 1960, dat hij eindeloos studies voor parlementsgebouwen maakte aan de hand van een boek over dit onderwerp. Hierdoor kwam hij waarschijnlijk ook Saarinens bekende en vaak afgebeelde ontwerp voor het parlementsgebouw van Helsinki (1908) tegen. De hoofdvorm van dit gebouw lijkt te worden herhaald door twee sfinxen die de toegang flankeren. Luthmann koos zelf, zoals hij later zei, voor zijn gebouw bewust voor de Egyptische vormen, om de geheimzinnigheid van het begrip `radio' uit te drukken. Het eerste ontwerp uit 1919 leek de vorm van een sterk geabstraheerde sfinx te hebben. In de uitgevoerde versie is het `Egyptische' minder prominent aanwezig door een grotere verticaliteit. Het lijkt daardoor eerder een kathedraal.(23) Luthmanns belangstelling voor de Scandinavische architectuur was blijvend, zoals uit een interview in Het Vaderland uit 1955 bleek.(24) De voor het Noorden zo kenmerkende invloed van barok en classicisme uitte zich bij Luthmann in zijn de vaak `barokke' details in de overigens strakke ontwerpen. Deze details zijn al vroeg aanwezig, zoals bijvoorbeeld het `barokke' torenvenster voor `Kootwijk', dat niet werd uitgevoerd. Een andere belangrijke, blijvende invloed was die van W.M. Dudok. De waardering voor deze architect ging goed samen met de invloed van het bureau Baanders, waar een sobere, maar wel monumentale variant van de Amsterdamse school de voorkeur genoot. Ook voor de bouw van tuindorpen bij Baanders en het `Radiodorp' bij Kootwijk kon Luthmann zich goed op Dudok ori?nteren die met zijn Hilversumse arbeiderswoningen al grote waardering had verkregen. In het Kootwijkse transformatorstation zien we sterke overeenkomsten met Dudoks vroege werk, en in 1924 schreef Luthmann een artikel over het nieuwste raadhuisontwerp voor Hilversum. Dudok liet daarin de monumentale symmetrie uit zijn vroege werk los. Luthmanns ontwerp voor een nieuw raadhuis voor Den Haag uit 1925 leek nog steeds be?nvloed door Dudoks vroege werk. Bij het prijsvraagontwerp voor het raadhuis van Enschede (1927) volgde Luthmann de nieuwe ontwerpstijl van Dudok wel na. Toch zijn ook daar nog resten van de traditionele vorm van monumentaliteit te zien, zoals bij de ingang die onder een toren geplaatst is. Dat Luthmann dergelijke krachtige accenten bleef gebruiken, is waarschijnlijk met zijn voorkeur voor een symbolische, sprekende architectuur in verband te brengen. De zichtbare invloed van Dudok nam dan ook snel af. Het ontwerp voor het Volkenbondsgebouw in Gen?ve uit hetzelfde jaar, dat hij samen met H. Wouda maakt, en dat de derde prijs kreeg, is bijvoorbeeld anders opgezet: de diverse delen van het complex en hun functie zijn van buiten te herkennen. Het uitgevoerde raadhuisontwerp voor Den Haag uit 1933 vertoonde een soortgelijke opzet.(25)
Invloed van Luthmann
Een grote invloed van Luthmann op andere architecten is niet vast te stellen. De meeste bekendheid kreeg zijn radiostation in Kootwijk (1919-1923). Het opmerkelijke van dit gebouw is niet zozeer het ontwerp -dergelijke ontwerpen werden wel meer gemaakt- maar het feit dat het ook werd uitgevoerd. De indeling van `Kootwijk' werd bepaald door de ingenieurs van Telefunken, die een soortgelijke plattegrond voor het zendstation Nauen bij Berlijn (1917-1919) hadden gemaakt. Hermann Muthesius, die dit gebouw ontwierp beklaagde zich al over het feit dat het meeste al vastlag, toen hij bij het werk werd betrokken. De opzet van `Kootwijk' berustte in hoofdlijnen op het ontwerp van Telefunken en werd door Luthmann alleen enigszins aangepast. Het bijzondere van het gebouw was de toepassing van gewapend beton, dat onder Amsterdamse School-architecten niet populair was. In Kootwijk werd veel van de toenmalige technische mogelijkeheden benut en toch heeft Luthmanns vormgeving in beton geen grote invloed gehad. Constructief is het gebouw echter wel van groot belang geweest en J. Emmen, die het constructieve gedeelte uitwerkte, bleef het als zijn voornaamste werk beschouwen.(26) De overzichtelijke indeling van het zendgebouw werd overgenomen in het zendgebouw uit 1955 van C.F. Booth en B.N. MacLarty in het Engelse Rugby, waar men ook de Nederlandse `Koomans-antennes' toepaste.(27) Duidelijke voorbeelden van Luthmanns invloed zijn de Turmacfabriek in Zevenaar, ontworpen door ir. W.S. van de Erve en M. Zwaagstra, en het Hoofdbureau van Politie aan het Alexanderplein in Den Haag, eveneens ontworpen door W.S. van de Erve, onder supervisie van Luthmann. De decoratieve patronen in de baksteenbekleding van de Zevenaarse fabriek, en ook de afwerking van het interieur doen sterk denken aan Luthmanns Haagse raadhuis en zijn transformatorstation aan de Haagse G.W. van Diepenburchstraat. Luthmann schreef een uitvoerig, lovend artikel over de Zevenaarse fabriek.(28)
Typering Luthmanns oeuvre
In Luthmanns architectuur is een vloeiende, zonder plotselinge breuken verlopende ontwikkeling van zijn Amsterdamse school-fase naar de late werken uit de jaren vijftig en zestig te zien. Al in zijn Amsterdamse school-tijd was hij spaarzaam met ornament en werkte hij veel met monumentale bouwmassa's. Dit was al te zien bij een prijsvraagontwerp voor arbeiderswoningen in Amsterdam uit 1917.(29) De spaarzame decoratie werd vanaf de jaren twintig met barokke elementen uitgebreid, wat tot uitdrukking kwam in venstervormen en interieurs. Toen in de tweede helft van de jaren twintig Luthmanns werk enige tijd zeer sterk door Dudok werd be?nvloed, werd de ornamentering sterk teruggedrongen. In de jaren dertig keerden ornament en symbolische sculptuur weer terug, met als voornaamste voorbeeld het prijsvraagontwerp voor het Haagse raadhuis uit 1933. Een stedenbouwkundig ontwerp uit 1941, dat waarschijnlijk een prijsvraagontwerp voor de wederopbouw van Rotterdam was, vertoonde de barokke invloed zeer duidelijk, niet alleen in de vormen van dakkapellen, maar vooral door de toepassing van een ui-vormige toren.(30) Door zijn aanstellingen in gemeentelijke en rijksoverheidsdienst hield Luthmann zich vooral met openbare en overheidsgebouwen bezig, waarbij hij echter geen baanbrekend werk verrichtte. Een uitzondering daarop is het radiostation in Kootwijk, waar echter de samenwerking met ir. J. Emmen en de ingenieurs van Telefunken van groot belang was. Luthmanns zoeken naar een harmonie tussen de 'mechanische functies en de ide?ele strekking' leidde daar tot een opmerkelijk resultaat: een gebouw dat enerzijds technisch gezien volledig is aangepast aan de eisen van de toenmalige lange golftechniek, anderszijds ook in de vorm uitdrukking gaf aan de idee `radio'.(31) De nog al eens veronderstelde overdreven afmetingen waren in werkelijkheid in verband met inductiestromen, en de daaruit voortkomende verhitting van het beton noodzakelijk. De zware toren ontstond door de noodzaak van een minimum aan wapening rond de antenneleidingen, ook weer vanwege de inductie. Hoewel Luthmann van zijn Haagse raadhuis zijn hoofdwerk wilde maken, bleef Radio Kootwijk met zijn zakelijke toepassing van beton en mysterieuze Egyptiserende vorm het meest fascineren.
Noten
1) H. Brugmans, Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Nederlanders en hun werk, Amsterdam 1938, p. 959-960. De naam wordt hier als J.M. Luthmann aangegeven. Aangezien de oudste vermeldingen altijd van J.M. of J. Luthmann spreken, zal de latere naam M.J. Luthmann een wijziging door Luthmann zelf zijn. Ook wordt de oorspronkelijke naam Julius later als Jules geschreven. 2) M.J. [J.M.] Luthmann, 'Een terugblik over een tijdvak waarin de wereld meer veranderde dan ooit te voren', Bouwkundig Weekblad 78, 22-01-1960 nr. 2, p. 29-30; C.H. Slechte (red.), J. van der Leeuw-Roord, G. Rijven, F. Smit, Bouwen op Haagse gronden. Zestig jaar wel en wee rond de Haagse Bouwonderneming en het gemeentelijk stedebouwkundig beleid, Den Haag 1981, p. 199. 3) Gegevensbestand vroegere Rijksbouwmeesters, Bureau van de Rijksbouwmeester, 's-Gravenhage. 4) H. Brugmans, Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Nederlanders en hun werk, Amsterdam 1938, p. 959-960. 5) N. Joker, G.J. de Rook (red.), Het Haagse Stadhuis centraal. 5 ontwerpen voor het Spui. 1 woningbouwplan voor het Burg. De Monchyplein, 's-Gravenhage 1986, p. 53. 6) J.[M.] Luthmann, 'Vrij Katholieke Kerk aan de Rietzangerslaan te 's-Gravenhage', Bouwkundig Weekblad Architectura jg. 54, 24-06-1933, nr. 25, p. 205-206; S. de Clercq, A.R. Hulshoff, C.F. Klaar, H.G. Mos, 'Rapport van de commissie van beoordeeling der ingekomen schetsplannen voor een raadhuis te Enschede', Bouwkundig Weekblad Architectura, jg. 50, 23-03 en 06-04-1929, nrs. 12 en 14, p. 89-96; 105-110. 7) M.J. [J.M.] Luthmann, 'Een terugblik over een tijdvak waarin de wereld meer veranderde dan ooit te voren', Bouwkundig Weekblad 78, 22-01-1960 nr. 2, p. 29. 8) P. Groenendijk en P. Vollaard, Gids voor moderne architectuur in Nederland=Guide to modern architecture in the Netherlands, Rotterdam 1987, p. 18; I. Jager, Willem Kromhout Czn., Rotterdam 1992, p. 54. 9) M.J. [J.M.] Luthmann, 'Een terugblik over een tijdvak waarin de wereld meer veranderde dan ooit te voren', Bouwkundig Weekblad 78, 22-01-1960 nr. 2, p. 29-30; C.H. Slechte (red.), J. van der Leeuw-Roord, G. Rijven, F. Smit, Bouwen op Haagse gronden. Zestig jaar wel en wee rond de Haagse Bouwonderneming en het gemeentelijk stedebouwkundig beleid, Den Haag 1981, p. 199. 10) G. Fanelli, Moderne architectuur in Nederland 1900-1940, 's-Gravenhage 1978/1981, p. 291; M.J. [J.M.] Luthmann, 'Een terugblik over een tijdvak waarin de wereld meer veranderde dan ooit te voren', Bouwkundig Weekblad 78, 22-01-1960 nr. 2, p. 29-34. A. Boeken, 'De "Da Costa-school" te Utrecht, Architecten Maas en Zonneveld', Bouwkundig Weekblad 44, 31-03-1923 nr. 13, p. 140-145. Zie voor het radiostation te Kootwijk ook mijn scriptie (Kath. Univ. Nijmegen, Kunstgesch.) Het zendstation voor draadloze telegrafie bij Kootwijk. Symboliek en functionaliteit, deze zal naar verwachting september 1994 voltooid zijn. Bevat een oeuvrecatalogus, gebaseerd op BONA-onderzoeksresultaten. 11) 'Herenboekjes': Naamwijzer en adresboek der leden van het bestuur van Amsterdam en van de gemeente-ambtenaren, de leden van het burgerlijk bestuur, der leeraren, der Godshuizen, liefdadige instellingen, enz., Amsterdam, jaren 1912-1917; G. Fanelli, Architettura edilizia urbanistica Olanda 1917/1940, Florence 1978, p. 409. 12) H. Brugmans, Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Nederlanders en hun werk, Amsterdam 1938, p. 959-960. 13) M.J. [J.M.] Luthmann, 'Een terugblik over een tijdvak waarin de wereld meer veranderde dan ooit tevoren', Bouwkundig Weekblad 78, 22-01-1960 nr. 2, p. 33 14) Gegevensbestand vroegere Rijksbouwmeesters, Bureau van de Rijksbouwmeester, 's-Gravenhage. 15) Gegevensbestand vroegere Rijksbouwmeesters, Bureau van de Rijksbouwmeester, 's-Gravenhage; J. Emmen, 'De werken in gewapend beton voor het station voor draadlooze telegrafie op het Kootwijksche zand' De Ingenieur, jg. 38, 24 maart 1923, nr. 12, p. 231-237. 16) Gegevensbestand vroegere Rijksbouwmeesters, Bureau van de Rijksbouwmeester, 's-Gravenhage; W. van der Pluym, 'Luthmann', in: U. Thieme en F. Becker, Allgemeines Lexikon der Bildenden K?nstler von der Antike bis zur Gegenwart, deel XXIII, H. Vollmer (red.), Leipzig 1929, p. 480; Fanelli, p. 291; M.J. [J.M.] Luthmann, 'Een terugblik over een tijdvak waarin de wereld meer veranderde dan ooit te voren', Bouwkundig Weekblad 78, 22-01-1960 nr. 2, p. 29-34; R. Vijfvinckel, K.P. Companje, W.J. de Geus, M.M. Hegener, 's Haags werken en werkers. 350 jaar Gemeentewerken (1636-1986), 's-Gravenhage 1986, p. 305-306. 17) Informatie verstrekt door het architectenbureau Prent & Landman, 's-Gravenhage. 18) M.J. [J.M.] Luthmann, 'Een terugblik over een tijdvak waarin de wereld meer veranderde dan ooit tevoren', Bouwkundig Weekblad 78, 22-01-1960 nr. 2, p. 29-34; gegevensbestand vroegere Rijksbouwmeesters, Bureau van de Rijksbouwmeester, Den Haag; H.M.H. van der Schoor, 'Ir. G.C. Bremer en de Rijksgebouwendienst. Een reactie', Bulletin KNOB 92, 1993 nr. 6, p. 189-191; T. Tummers, Het Schip van Blaauw, Wageningen 1990, p. 8. J.M. Luthmann, 'Overheidsbemoeiing inzake kunst', Bouwkundig Weekblad 42, 19-02 en 05-03-1921 nr. 8 en 10, p. 51-52 en 62-66. 19) J. [M.] Luthmann, 'Het nieuwe Haagsche Raadhuis aan den Hofvijver', Architectura 29, 05-12-1925 nr. 49, p. 425-432; 'Waar moet het nieuwe stadhuis komen? - Een plan van Architect Luthmann', Bouwrubriek van het Vaderland, 12-12-1925, p. 1; 'M.J. Luthmann Officier in de Orde van Oranje Nassau', Bouwkundig Weekblad 71, 21-10-1953 nr. 43-44, p. 344. 20) J. Schilt en J. van der Werf, Genootschap Architectura et Amicitia 1855-1990, Rotterdam 1992, p. 215, 221, 233. 'Herorintering stadhuisplan. Vraaggesprek met 75-jarige architect', Het Vaderland (Weekjournaal), 30-01-1965, p. 5, 7. 21) J.[M.] Luthmann, J. Gratama, Moderne bouwkunst in Nederland. No. 1. Inleiding, Rotterdam 1932, p. 9-35: J.[M.] Luthmann, 'Overzicht van de ontwikkeling der bouwkunst in Nederland'. 22) G. Anzivino, 'Wij stervelingen. Een crematorium tussen het Nieuwe Bouwen en een Nieuwe Architectuur', Jong Holland 10, 1994 nr. 1, p. 38-47; C.A. Abspoel, H.A.J. Baanders, M.J. [J.M.] Luthmann, D. Roosenburg en A. Wegerif, Juryrapport. Studieprijsvraag voor een ontwerp van een crematorium met columbarium, uitgeschreven door de afdeeling 's-Gravenhage van de Vereeniging voor Facultatieve Lijkverbranding tevens catalogus voor de tentoonstelling der 48 ingekomen plannen welke van 18 April t.m.e. 3 Mei 1942 in het Gemeentemuseum van 's-Gravenhage, Stadhouderslaan wordt gehouden, z.p. ['s-Gravenhage], z.j. [1942]; 'A.J. van Eckprijs 1965' (Luthmann jurylid), Bouw 20 1965 I, 09-01-1965 nr. 2, p. 62-63. 23) Mieras wijst bij het overlijden van Saarinen op diens invloed in de periode 1910-1920 (Bouwkundig Weekblad 68, 07-11-1950 nr. 45, p. 698: J.P. Mieras, 'Gottlieb Eliel Saarinen +'). A. Berendsen, 'M.J. Luthmann 65 jaar. Een man die op Den Haag zijn stempel drukt', Het Vaderland, 29-01-1955, p. 5. 24) R.P., 'Architect Luthmann 65 jaar' Haagsche Courant, 27-01-1955, p. 17. 25) J.[M.] Luthmann, 'Het Hilversumse Raadhuis', Wendingen 6, augustus 1924 nr. 8, p. 12-14; 'Uitslag voor het volkenbondsgebouw te Gen?ve. Twee tweede prijzen en een derde prijs aan Nederlanders toegekend', Het Bouwbedrijf 4 13-05-1927 nr. 10, p. 227. 26) 'Zwaar feestje van 800 man in Amsterdam. Gewapend beton 100 jaar', De Gelderlander 22-11-1967. 27) C.F. Booth en B.N. MacLarty, The new high-frequency transmitting station at Rugby, herdruk, uit: The Proceedings of the Institution, The Institution of Electrical Engineers, Vol. 103, Part B, No. 9, May 1956, p. 266. 28) M.J. [J.M.] Luthmann, 'Moderne fabrieksbouw. Het nieuwe Turmacgebouw te Zevenaar, arch. W.S. v.d. Erve b.i. en M. Zwaagstra, architect B.N.A.', Bouw 5, 07-01-1950 nr. 1, p. 2-7; 'Hoofdbureau van Politie, Den Haag. Architect: W.S. van de Erve' (Luthmann supervisor), Bouw 14 1959 II, 31-10-1959 nr. 44, p. 1242-1247. 29) J. de Meyer, H.Th. Wijdeveld, J.B. van Loghem, 'Juryrapport Gevelprijsvraag arbeiderswoningen', Architectura jg.25, 14-04-1917, nr. 15, p. 11-116. 30) Archief Architectenbureau Prent & Landman, '-Gravenhage. 31) J.[M.] Luthmann, J. Gratama, Moderne bouwkunst in Nederland. No. 1. Inleiding, Rotterdam 1932, p. 9-35: J.[M.] Luthmann, 'Overzicht van de ontwikkeling der bouwkunst in Nederland'. In deze inleiding gaat Luthmann uitvoerig op dit thema in.
|