| Naam: | Landarbeidersdorp Anna Paulownapolder |
| Type: | arbeidersdorpen; |
| Opdrachtgever: | Maatschappij tot indijking van den Anna Paulowna polder |
| Uitgevoerd: | nee |
| Architecten: | Zocher jr., J.D., 1845, ontwerp-; |
| Adres: | , Anna Paulownapolder; |
| Archiefgegevens: | collectie Technische Universiteit Delft, afdeling bouwkunde |
Inpoldering van rijpe aangeslibde buitendijkse gronden door particulier initiatief was begin negentiende eeuw nog staande praktijk in Nederland. Gaandeweg kwam daar verandering in en werden inpolderingen planmatig van overheidswege aangepakt.(1) Ten zuiden van Den Helder was vanaf begin zeventiende eeuw door de aanleg van een zanddijk tussen Huisduinen en Callantsoog een groot stuk land aangeslibd, het Koegras geheten. Vanaf 1818 werd begonnen met de inpoldering van deze grotendeels uit onvruchtbare zandgronden bestaande kwelder, ondermeer door druk van Waterstaat dat het Groot Noord-Hollands kanaal door deze polder wilde aanleggen, wat in 1826 ook gebeurde.De uitgegraven grond van het kanaal werd voor de bedijking gebruikt. Het oostelijk daarvan gelegen gebied behoorde tot de laatste stukken die zouden worden ingepolderd. Met een vrijwel lege schatkist na de troonsafstand van koning Willem I in 1840, maakte de overheid hier pas op de plaats. Daarom werd door een groep beleggers en ondernemers de Maatschappij tot indijking van den Anna Paulowna polder opgericht, die in 1844 een concessie verkreeg. Ondermeer J.D. en L.P. Zocher zaten als aandeelhouder in het bestuur, evenals waterbouwkundig ingenieur J.C. de Leeuw, die getrouwd was met de stiefdochter van J.D. Zocher (Zijn dochter A.G. de Leeuw zou veel later onder het pseudoniem Geertruida Carelsen uitvoerig over het werk van de Zochers schrijven). Met behulp van een groot aantal aandeelhouders kwam een startkapitaal van 550.000 gulden bijeen, en werd een aanvang gemaakt met de inpoldering. De bedijking kwam in 1848 gereed. Van de eerste 1000 bunders land die werden uitgegeven voldeed een vijfde deel niet aan de verwachting van 'best kleiland'. Door deze tegenvaller werden de werkzaamheden lange tijd opgehouden. De bovengenoemde Maatschappij zag zich genoodzaakt haar rechten over te dragen aan een nieuw opgerichte Anna Paulowna Maatschappij, die de exploitatie van de polder verder ter hand nam.
Enkele jaren daarvoor had Zocher een plan ontworpen voor een arbeidersdorp in deze toekomstige Anna Paulownapolder; een cirkelvormige cluster van arbeidershuizen met in het midden een kerk. Langs de vier toegangswegen lagen wat grotere gebouwen, die bedoeld waren als gemeenschappelijke graanopslagplaatsen. Alle gebouwen waren ontworpen in een eenvoudige vorm van neoclassicisme, behalve het kerkje, dat neogotisch was. Het ontwerp voor het dorp sluit aan bij idee?n die toen in opmars waren over de verbetering van leefomstandigheden van landarbeiders. Ieder huisje kreeg bijvoorbeeld een eigen stuk grond, zodat de bewoners zelf voedsel konden verbouwen. Op grond van oppervlakkige formele overeenkomsten met een ideaalstadplan van architect C.N. Ledoux voor de stad Chaux uit 1773, is dit plan in diverse publicaties wel wel utopisch genoemd. Daar zijn echter weinig aanwijzingen voor.(2) De Zochers, die goede zakenlui waren, hebben kennelijk met deze investering misgegokt. Diverse geldverstrekkers moesten na voltooiing van de bedijking worden uitgekocht en het plan werd afgeblazen. Overigens bleef de (stief)schoonzoon van Zocher, J.C. de Leeuw, betrokken bij de inpoldering en werd in 1855 tot dijkgraaf benoemd. Hij betrok het een jaar eerder gebouwde polderhuis aan de Kleine Sluis, mogelijk een ontwerp van Zocher, evenals de omringende tuin, die nog steeds bestaat.
1. Woud, A. van der, Het lege land. De ruimtelijke orde van Nederland 1798-1848, Amsterdam 1987-2004, 244-246.
2. Dat bijvoorbeeld Jean de Brunhoff met zijn in Koning Babar (1933) geschetste ideaalstad Christientjesoord schatplichting is aan C.N. Ledoux? ontwerp voor een dorp in het park van Maupertuis, valt met meer recht te verdedigen.