|
Essay:
|
J.M. van Hardeveld (1891-1953) Architectuur als de synthese tussen het praktische en het ide?le Het oeuvre van Van Hardeveld vertoont een opmerkelijke tweedeling: kerkelijke bouwwerken en sociale woningbouw. De meeste aandacht is tot op heden gegaan naar zijn experimenten in de gestand ... meer
J.M. van Hardeveld (1891-1953)
Architectuur als de synthese tussen het praktische en het ide?le
Het oeuvre van Van Hardeveld vertoont een opmerkelijke tweedeling: kerkelijke bouwwerken en sociale woningbouw. De meeste aandacht is tot op heden gegaan naar zijn experimenten in de gestandaardiseerde betonbouw waarvan proefwoningen nabij Brussel en woonwijken in Rotterdam, Den Bosch woonwijken zijn gerealiseerd. Zijn latere volkswoningbouw, is vrijwel uitsluitend in de uitbreidingwijken van Amsterdam te vinden. Van Hardeveld werd in 1891 geboren te Amsterdam. De grondslag voor zijn latere studie bouwkunde vormde het onderwijs aan de ambachtsschool, de avondtekenschool en de industrieschool. Waarna hij in een timmerbedrijf zijn eerste emplooi vond. Vervolgens werkte hij als opzichter en tekenaar op architectenbureaus. Deze werkzaamheden verrichtte hij ook in Belgi? en Frankrijk. Hij begon zijn architectenopleiding in Brussel aan de Acad?mie des Beaux Arts, maar vervolgde zijn opleiding, vermoedelijk in verband met de Eerste Wereldoorlog, in Nederland. In de jaren 1914 tot 1918 volgde hij een opleiding aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten te Amsterdam. Hij behaalde daar in het laatste jaar de tweede prijs in de Prix-de-Rome prijsvraag. Al in 1917 vestigde hij zich als zelfstandig architect te Amsterdam. In 1923 huwde hij de Fran?aise Germaine Emilie Marie Bertin. Het echtpaar kreeg twee kinderen Annicq (1924) en Yann Emile (1929). In het gezin was Frans de voertaal en het echtpaar reisde veelvuldig naar het geboorteland van de echtgenote. Mogelijk is Van Hardevelds voorkeur voor de toepassing van gewelven te verklaren uit zijn bewondering voor- en zijn kennis van de Franse gotiek. Hij zette zich binnen katholieke context in voor de culturele uitwisseling tussen zijn geboorteland en dat van zijn vrouw en werd tot Officier van de Franse Academie benoemd en mocht tevens de onderscheiding van het L?gion d'Honneur in ontvangst nemen. In 1918 participeerde Van Hardeveld in de Prix de Rome. De opdracht luidde 'een representatief gebouw van Nederland te Rome met het doel, kunsten en wetenschappen, handel en nijverheid een waardig onderkomen te verzekeren'. Hoewel het ontwerp van Van Hardeveld, aldus J.P. Mieras, interessanter was dan dat van zijn mededinger H.P.J. de Vries, had zijn plattegrond het nadeel van een te grote complexiteit. De Vries had de vrijheid genomen om de gevraagde vestibule en hoofdtrap op als een open binnenhof vorm te geven, waarmee hij een voor het zuidelijke klimaat een betere oplossing had gevonden. In de jaren 1918 tot 1921 was Van Hardeveld geassocieerd met J.A. Pauw. Ook later werkte hij incidenteel nog met Pauw samen, zoals voor de prijsvraag bebouwing Coolsingel, hoek Kruiskade (1929) Rotterdam. (Vermoedelijk bestaan er naast beroepsmatige ook familiaire banden tussen beide architecten.) Zoals het in een necrologie wordt uitgedrukt: "Van Hardeveld was er echter de man niet naar om met meerderen aan dezelfde architectopnische problemen te werken. Want hij had zeer uitgesproken meningen, en hij liet niet gaarne werk door medewerkers verrichten, als het uitrukking moest geven aan zijn eigen visie" (Thunnissen p. 22). Het vroegst bekende project dat het bureau Pauw & Van Hardeveld realiseerde was een complex middenstandswoningen aan het Temsplein te Heerlen. Pauw had eerder de prijsvraag gewonnen voor de geplande bibliotheek aldaar. Dit ontwerp uit 1917 vertoont nog sterk Berlagiaanse trekken. Het gerealiseerde ontwerp is evenwel in de trant van de Amsterdamse school ontworpen. Mogelijk valt dit te verklaren uit de invloed van Van Hardeveld, wiens naam in monumentenbeschrijvingen al dan iet ten onrechte regelmatig in samenhang met dit gebouw opduikt. Aan de andere zijde van het Temsplein bouwden zij in 1921 een aantal middenstandswoningen die door de platte daken en de gekleurde banden 'modern' aandoen. Zij werden in 1936 in het Bouwkundig Weekblad gepubliceerd. Ook bouwden zij een hotel-restaurant en de schouwburg in deze stad. (Dit laatstgenoemde project kwam door het faillissement van de aannemer pas 10 jaar later in gebruik.)
In 1920 werden in Anderlecht nabij Brussel een aantal proefwoningen in beton in de wijk Het Rad gebouwd. In 1921 volgde een vergelijkbaar experiment van 93 woningen in de Strevelswijk te Rotterdam dat naar de naam van het betonbouwsysteem bekend staat als 'Isola I'. Het tweede Isola-project bestaande uit 396 woningen en 13 winkels werd in de jaren 1922-1924 in Hillesluis en Strevelswijk gerealiseerd. In dezelfde tijdspanne werd in Den Bosch een arbeiderswijk gebouwd die bestond uit 376 woningen en 13 winkels. Verdere projecten voor gestandaardiseerde betonbouw in Betondorp en Karnemelksland te Rotterdam-Zuid (beide 1922) werden niet gerealiseerd. Fascinerend zijn de ontwerpen die Van Hardeveld samen met Pauw heeft gemaakt voor een aantal blokken middenstandswoningen in Amsterdam en Groningen. Deze projecten, woonhuizen met platte daken zijn vermoedelijk niet gerealiseerd, ze werden in het tijdschrift Wendingen van 1920 gepubliceerd. De resultaten van de experimentele volkswoningbouw in beton zijn voor Van Hardeveld vermoedelijk teleurstellend geweest, want zij bleven zonder navolging. Het artistiek milieu waarin Van Hardeveld in de jaren twintig verkeerde, blijkt enigszins uit zijn bijdrage aan de Bouw en Sierkunst-tentoonstelling van 1926 te Utrecht. Een krantenbericht meldt hierover: "Zaterdagmiddag a.s. zal te Utrecht de B.E.S.K. (Instelling voor Bouw en Sierkunst) worden geopend. Aan een aantal kunstenaars is medewerking verzocht voor een permanente internationale tentoonstelling op het gebied van decoratieve en industrieele kunst. Medewerking is toegezegd door W.M. Dudok, J.M. van Hardeveld, V. Huszar, mevrouw M. Kloos, W. van Leusden, J.J.P. Oud, Ir. S. van Ravesteyn, A.J. Westerman en Jan Wils. De tentoonstelling omvat uitsluitend "geavanceerd-modern werk, dat van beteekenis geacht wordt voor den toekomstigen ontwikkelingsgang der kunst, vooral door zuivering van ondoelmatige en nietszeggende detailleering". Een nieuwe periode gaat na 1930 in, Van Hardeveld had zich reeds 10 jaar eerder tot het katholieke geloof had bekeerd, bouwde in die jaren een aantal projecten met een uitgesproken katholieke signatuur zoals kerken te Amstelveen (1932), Badhoevedorp (1936) en Dronrijp (verbouwing, 1938). Het meest bekende project is het zogenaamde klein-seminarie te Apeldoorn (1934), dat destijds evenwel niet unaniem geprezen werd. Een kleiner nonnenklooster te Groesbeek volgde (1935). Ook ontwierp hij voor opdrachtgevers met katholieke achtergrond zoals de stoffengroothandel Wyers (1929) en het grootwarenhuis Vroom & Dreesman (1944). Kort voor zijn dood ontwierp hij de RK-kerk te Ede (1953). Van Hardeveld ontwierp voor de oorlog ook volkswoningbouw voor katholieke bouwverenigingen. Van zijn vroege Amsterdamse projecten is het complex aan de Bataviastraat (1925; afgebroken) van belang omdat het in tegenstellingen tot zijn latere projecten gepubliceerd is. Het staat afgebeeld de tweede aflevering van Moderne bouwkunst in Nederland, over hoogbouw volkswoningen. In de oorlog heeft Van Hardeveld gewerkt voor Monumentenzorg. In zijn archief zijn fotoseries bewaard van plaatsen als Edam, Alkmaar en Oirschot. Na de Oorlog heeft hij hoofdzakelijk woningbouwcomplexen in de uitbreidingsgebieden van Amsterdam gerealiseerd. Klaarblijkelijk zijn economische factoren hier zoals elders in deze periode bij de bouw doorslaggevend geweest.
Pauw
Jan Adriaan Pauw werd geboren te Amsterdam op 14 april 1891,als zoon van Pieter Pauw (electrotechnicus) en Cornelia Hendrika Tale. In november 1911 trouwde hij te Middelburg met Cornelia Adriana Goethals, geboren te Middelburg op 20 september 1889, overleden te Seattle , USA op 31 oktober 1966.
Betonwoningen
Al in 1918 heeft Van Hardeveld een verhandeling over de Normaalwoning in De Nieuwe Amsterdammer gepubliceerd, waarin hij een pleidooi voor de Normaalwoning hield. Dit naar aanleiding van de Amerikaanse experimenten met woningbouw met toepassing van holle betonplaten. Als illustratie dienen daarbij dubbele villa's te Seewarren (New Jersy) die, hoewel in de ogen van de auteur esthetisch inferieur, in technisch opzicht als een optie worden gezien om de woningnood te bestrijden. Tevens bepleit hij in zijn artikel de overstap naar een meer stringent doorgevoerd systeem van standaardmaten naar Amerikaans voorbeeld: "In Amerika heeft men dit gegeven aanvaard. Gebrek aan werkkrachten, economische, hygi?nische en ook aesthetische overwegingen, hebben ertoe geleid de massa-aanmaak van bouwvormen te bevorderen. Men heeft daartoe eenvoudig de oude vormen, die te kostbaar waren, waarvoor materialen ontbraken, en die zich niet eigenden voor fabriekmatige produceering, aan de kant gezet, en met succes nieuwe vormengeschapen voor 't nieuwe materiaal; het gewapend-beton-gebracht-op-handelsformaat. Men bereikte hierdoor naast vele practische en hygi?nische voordeelen, groote besparing van tijd en kosten, door vereenvoudiging in de opzet en door gemakkelijke constructie." Zijn conclusie inzake normalisatie is: "Voor normalisatie van geheele woningtypen lijkt ons de tijd nog niet rijp. Maar wel voor de normaliseering der onderdeelen, door middel der nieuwe materialen." Uiteraard zou met de komst van normalisatie ook de rol van de architect in de toekomst wezenlijk veranderen: "Hij zal zich verzoenen met 't denkbeeld dat hij zijn Vitruvius en Vignola wel kan opbergen en zijn boekenkast vullen met keurig verzorgde modelboeken van groote fabrieken, met tijdschriften die hem de cultuur der hedendaagsche maatschappij, de geestes-stroomingen van den tegenwoordigen tijd leeren kennen." Van Hardeveld was ??n van de weinigen die de kans heeft gekregen om zijn hierboven verwoorde principes in de praktijk te brengen. Hij werd door de Bredase betononderneming IGB aangetrokken voor welke hij in de jaren 1920-1924 meer dan achthonderd betonwoningen volgens het systeem 'Isola' ontwierp. Belangrijk is de prospectus voor dit systeem, waarvoor Van Hardeveld zowel aan de tekst als aan de daarin opgenomen figuren een belangrijke bijdrage heeft geleverd. Hij gaat in de tekst ook in op de context van de nieuw bouwwijze: de volkshuisvesting, de economie, de techniek en de architectuur.
Ook in Belgi? werd in deze jaren druk ge?xperimenteerd met nieuwe bouwvormen. De Nationale Maatschappij voor Goedkope Woningen bouwde in de Brusselse wijk 'Het Rad' onder leiding van J.J. Eggericx een project dat een zestigtal volgens verschillende principes uitgevoerde woningen zou omvatten. (zie noot 169).Van Hardeveld ontwierp voor dit project een rijtje van vier betonwoningen van Isola-blokken. De wanden waren ter wille van de vochtwering en zeker ook vanuit esthetische oogmerk voorzien van banen van silicaat in frisse kleuren. Hoewel het voorgeschreven was bij de nieuw te bouwen proefwoningen het voorbeeld van een drietal al gebouwde arbeiderswoningen in baksteen qua indeling en vormgeving in baksteen na te volgen, kreg Van Hardeveld dispensatie voor zijn betonwoningen. In de plattegrond is wel rekening gehouden met typisch Belgische wasruimte en provisie- en kolenbergplaats. Ook waren als noviteit een douche en vaste kasten voorzien. Ondanks het voor zijn dagen opmerkelijke resultaat lijkt het experiment vrijwel onopgemerkt en zonder verdere navolging te zijn gebleven.
In 1921 kwam in Rotterdam het eerste Stulemeijer-complex tot stand in de voormalige Hillepolder ten zuiden van de Lange Hilleweg, thans Strevelswijk. De verkaveling van het terrein was gedeeltelijk door Granpr? Moli?re bepaald, maar ook Van Hardeveld heeft blijkens een situatieschets in de Isola-prospectus zijn stempel op het geheel gedrukt. Overigens was Van Hardeveld in deze jaren met Pauw geassocieerd. Het woningbouwcopmplex had als geheel min of meer de structuur van een hof en had de daarvoor kenmerkende poortgebouwen. Ook waren collectieve gebouwen en -voorzieningen zoals speelterreinen gepland. Deze zijn niet ten uitvoer gekomen. De rijtjeshuizen bestaan uit boven en benedenwoningen, volgens vier typen en zeven eengezinswoningen. Deze laatste zijn vaak op de hoeken gesitueerd en hebben een extra zitkamer. De meeste woningen hebben drie slaapkamers en de bovenwoningen hebben aan de achterzijde een balkon op pijlers. Aan het eerste complex werd gelijktijdig met de bouw van het tweede in 1924 een poortgebouw toegevoegd. Dit is gelokaliseerd aan de Dubbelstraat - Westpietermanstraat. Karakteristiek voor de gebouwen zijn de donkere sokkels en horizontale banden die aan de architectuur van E. Mendelssohn doen denken en vermoedelijk via de architectuur van Van Anrooy in zwang zijn gekomen. Over het kleurenpatroon bericht een contemporain krantenartikel: "Ter toelichting van het [afgebeelde] perspectief - ontwerp der architecten Pauw en van Hardeveld - diene nog, dat het beton een heel lichtgele saus heeft gekregen en de op de plaat zwarte banden donkerbruin zijn. De deuren en luifel zijn gehouden in zwart en oranje. De kleuren zijn o.i. zeer goed gekozen en geven aan het geheel een fleurig, vroolijk aanzien. Van het grauwe en sombere tot voor kort aan betonbouw noodzakelijk adhaerent gedacht, is geen spoor overgebleven." De regenpijpen werden bewust als decoratief element gebruikt; zij zijn uit driekantige betonelementen opgebouwd. Ook aan de interieurs was veel aandacht besteed, zo waren de woonkamers bekleed met gekleurde weefsels en de schoorsteenmantel was uitgevoerd in gemetalliseerd beton. Het plafond bestond uit gipsplaten met gekleurd houten latwerk. De wijk is gepubliceerd in De Stijl, Klei en L'Architecture vivante. In De Stijl werden enkele afbeeldingen en een korte introductie opgenomen: "Om elk - al dan niet bewust- streven in de richting eener monumentale architectuur aan te moedigen, hebben wij in het vorige nummer van "De Stijl", deze betonwoningen gepubliceerd, welke, uitgezonderd de nog decoratieve elementen (waarvan de architecten in het algemeen zich nog niet schijnen te kunnen losmaken), qua vorm (in den zin van architectonische verschijning) evenzeer het geestelijk accent van onzen tijd bevat [sic] als de luchtexpress-aeroplane "Parijs-Praag"(1922, p. 11) Hoewel de kosten voor de bouw hoger uitgeveallen waren dan verhoopt en tevens (kleine) technische problemen aan de dag waren gekomen, werden bouwexperimenten in beton voortgezet. Het tweede Stulemijer-complex werd omwille van de kosten minder ruim opgezet, in drie verdiepingen en werd van de standaard van drie slaapkamers afgeweken. Het grootste deel bestond uit tweeslaapkamer appartementen en de gangruimten waren ten opzichte van het voorgangerproject gereduceerd. In 1924 werden de 362 woningen in de Walravenbuurt in Karnemelksland en nog 34 aanvullende woningen in het eerste Stulemijer-complex voltooid. Ook bij het tweede complex werd bewust een hofachtige structuur nagestreefd met een poortdoorgang bij de H. Croesinckstraat. Oorspronkelijk moet een uitgebreider plan hebben bestaan, min of meer een arbeidersdorp, dat voorzag in een dubbel aantal woningen en algemene voorzieningen die op de binnenterreinen in betonsteen zouden worden gebouwd. Wel werden zeven winkelhuizen gebouwd. Het stedebouwkundig concept was evenals de indeling van de zes verschillende plattegronden van Van Hardeveld. Omdat de binnenterreinen publiekelijk toegankelijk zijn, zijn voor- en achtergevels identiek behandeld. Stilistisch doet het complex meer grootsteeds en moderner aan dan zijn voorganger, omdat van de verwijzingen naar van classicistische principes en de toepassing van decoratieve kleurbanden werd afgezien. Als sierelement dienen slechts smalle cordonlijsten boven de vensters en rond de schoorstenen. Van Hardeveld's toenmalige fascinatie voor het nieuwe blijkt uit de Futuristische elementen in de prospectus met name een verwijzing naar de luchtvaart. Volgens hetJuryrapport Nationale Renovatieprijs 2004 is er zeer zorgvuldig gerenoveerd. Hoewel de bouwfysische kwaliteit volstrekt onvoldoende was, is niet gekozen voor de voor de hand liggende methode van buitengevelisolatie, maar is de authenticiteit van de originele gevelblokken in stand gehouden. De bouwfysische problematiek is aan de binnenzijde van de gevels opgelost. Bijzonder is de historische kleurstelling met een terrakleurige plint en banden, die het complex een sterke ritmiek verlenen. De zorgvuldigheid van de renovatie blijkt ook uit details als de oorspronkelijk roedeverdeling in de kozijnen en de karakteristieke houtprofilering; de ventilatieroosters die nagenoeg onzichtbaar in de bovendorpel zijn weggewerkt en, opvallend door onopvallendheid: het voorkomen van ontsierende hemelwaterafvoeren in de voorgevel. De woningen waren slechts 59m2 groot. Na renovatie, waarbij een nieuwe drukverdelende begane grondvloer en stalen constructies nodig waren om doorbraken in de hoofdstructuur te maken., meten ze gemiddeld 101,5 m2 en is het oorspronkelijk aantal woningen van 184 teruggebracht naar 104.
In Den Bosch 1923 werd een groot betoncomplex gerealiseerd door Pauw & Van Hardeveld, dus niet door de Gemeente. Het architectenduo was ook verantwoordelijk voor het stratenplan dat afweek van datgene dat door de gemeente als voorlopig ontwerp was opgesteld. De tweede Rotterdamse wijk diende als voorbeeld voor de Bossche bouwplannen. Het grootste verschil was een andere afwerking van vloeren en plafonds teneinde geluidsoverlast te verminderen. Verder werd het muurwerk van de verdiepingen een steenlaag hoger opgetrokken dan het voorbeeld. Langs de Graafseweg werd een serie duurdere woningen gerealiseerd, 'kleine heerenhuisjes', op die manier kon ook de gewenste variatie in de bouw worden bevorderd. In Den Bosch stond het project sterk in het kader van de werkverschaffing; 70 procent van de aan te trekken arbeiders bestond uit werklozen. Het Bossche project werd ongeveer gelijktijdig ontworpen met het niet uitgevoerde project voor het bekende Betondorp te Amsterdam. In tegenstelling tot dit laatste project komt het niet in de Isola-prospectus voor. De Bossche woningen werden gebouwd op het Hinthamerpoort terrein, een gebeid dat doorsneden wordt door de Graafseweg terwijl de Dageraadsweg aan de zuidzijde de bebouwingsgrens markeerde. In 1922 kwam het definitieve stratenplan tot stand dat door Van Hardeveld werd ontworpen. Het terrein werd doorsneden door het riviertje de Aa. In het kleinste deel westelijk van de Aa, stond een derde van het totaal van 367 IGB-woningen. In totaal waren er dertien winkels (w.o. twee slagerijen) die zoals gebruikelijk aan het uiteinde van een bouwblok of in de knik van een straat waren gelegen. In het Oostelijk deel bevonden zich ook weer de poortwoningen, een achttal in totaal. Veranderingen ten opzichte van de voorgaande projecten waren zaken als de situering van de toiletten in verbinding met de buitenlucht, meer bergruimte en het ontbreken van balkons. De Bossche architect Berben prees Van Hardevelds architectuur en zette deze gunstig af tegen de ?schoonheidshysterici? op architectuurgebied, waarmee hij de vertegenwoordigers van de Amsterdamse school op de korrel nam. Hij prees de bouw om de juiste verhoudingen en een ?monumentale tendenz? die er in tot uitdrukking zou komen. Midden jaren twintig was er een restauratieve tendens merkbaar die een terugkeer naar de aloude Hollandse baksteenarchitectuur bevorderde. Het grijs van het ?kale? beton werd als neerdrukkend ervaren dit nadeel van de Isola-bouwmethode kwam echter eerder voort uit een budgettechnisch argument: betonverf was te kostbaar. Ongetwijfeld hebben ook andere factoren ertoe geleid dat de belangstelling voor de nieuwe bouwwijze tanende was. In het Bossche werden in 1976 eeuw alle Isola-woningen ten Oosten van de Aa afgebroken, alleen een rijtje langs de Graafseweg, die in een betere staat verkeerden bleven behouden. Deze woningen werden toen met een baksteenlaag bekleed. De woningen ten westen van de Aa ondergingen dezelfde behandeling, zodat ze van de oorspronkelijke pioniersgeest van het bouwen in beton niet langer kunnen getuigen.
Religieuze bouwwerken
Omstreeks 1920 moet Van Hardeveld zich tot het Katholicisme bekeerd hebben; hij is deze kerk tot aan zijn dood trouw gebleven. Deze omwenteling bracht een verandering in zijn werk met zich mee, maar heeft niets te maken met het verlaten van de rationele betonbouwprincipes, want zoals uit het bovenstaande al bleek was dit een algemene tendens in de Nederlandse bouwwereld van de late twintiger jaren. In een bouwkunst bijlage van Het Algemeen Handelsblad van 1930 heeft Hardeveld een helder essay gepubiceerd over de eigentijdse Katholieke kerkbouw. Centraal stelt hij het mysterie van de 'Heilige Eucharistie' dit maakt dat een kerk een 'grootsche reliekschrijn'. Hij ontkent het bestaan van zoiets als een katholieke bouwkunst, maar: "zooals 'katholiek' alles omsluit wat 'waar', 'goed' en 'schoon' is, zal de bouwmeester van een katholiek kerkgebouw tot taak hebben het ware, goede en schoone te betrachten". Meer concreet van invloed is de liturgische beweging geweest, een stoming binnen de katholieke kerk om een grotere betrokkenheid van de kerkganger bij de handelingen gedurende de eucharistieviering te bewerkstellingen. Voorheen werd het misoffer in het priesterkoor voltrokken waarbij de priester met zijn rug naar het schip en daarmee de gelovigen gekeerd stond. De liturgische beweging stimuleerde de wending tot een breed en ondiep kerkgebouw, waarbij de kolommen totaal zijn vermeden of naar de zijmuren verplaatst. Het altaar werd vereenvoudigd en kreeg (weer) de betekenis van offertafel. De ramen in het koor, die vroeger een tegenlichtwerking hadden, worden nu in de zijmuren van het koor aangebracht. Ook het zangkoor dat meestal in de vorm van een balkon aan westkant van het schip een plaats kreeg, krijgt nu een plaats dichter bij het altaar. In een essay in een feestbundel van Ars Sacra had Van Hardeveld al eerder het functionele bouwen gelijkgesteld met een materieel uitgangspunt, terwijl een kerkgebouw bij uitstek ide?le componenten heeft. Hij wijst het experiment en het volgen van modegrillen voor kerkbouw af en bepleit daarvoor 'bezonken geacheveerdheid'. De architect "...hoede zich voor den oppervlakkigen, onvasten, steeds sneller loopenden stroom van tijdgeest en modernisme." Van Hardeveld heeft vijf kerken, een seminarie en een klooster gebouwd. Een van zijn eerste religieuze bouwwerken, was geen kerk maar een parochiehuis bij de OLV vd H. Rozenkranskerk aan de Obrechtstraat te Amsterdam (1922). Een belangrijker wapenfeit was het hierboven al genoemde ontwerp voor een seminarie te Apeldoorn (1934). Deze opdracht werd een jaar later gevolgd door 'Valentinum' een klein vrouwenklooster te Oosterbeek.
Parochiehuis OLV vd H. Rozenkranskerk (ca. 1922)
De eerste opdracht vanuit de rooms-katholieke kerk was een in wezen profaan gebouw: een pastorie bij de Rozenkranskerk in de Obrechtstraat te Amsterrdam. Het gebouw verenigd in zich diverse stijlelementen. De betrekkelijk brede kopgevel is aan de straatzijde gelegen, terwijl de ingang zich in een zijgevel aan de kant van de kerk bevindt. De gevel heeft twee steunberen die gedekt worden door een natuurstenen rozet waaronder een wapenschildje. De vensters zijn voorzien van een brede omlijsting. Het meest opvallend is een groot in zessen verdeeld venster op de verdieping, dit is door middel van een rozet met de vensters van de begane grond verboden. In de top van de gevel bevindt zich een Maria-medaillon.
RK kerk Amstelveenseweg Amsterdam 1932
Deken Boekhorst nam direct na zijn benoeming in 1929 het initiatief voor de bouw van een parochiekerk. In augustus 1932 werd men het eens over de voorwaarden en na verkregen toestemming van de bisschop van Haarlem werden koop en ruil gerealiseerd. Op 7 mei 1934 ging de eerste spade de grond in en reeds op het feest van St. Augustinus (28 augustus) was het werk zover gevorderd dat de gedenksteen kon worden aangebracht. Terwijl in januari 1935 nog slechts een stalen geraamte de vormen aangaf, welke het kerkgebouw zou aannemen, waren kerk en pastorie reeds in mei 1935 gereed. Op 8 mei 1935 verrichtte Z.D.H. de Bisschop, Mgr J.D. Aengenent, de consecratie. De locatie bracht voor de bouw de bijzonderheid met zich mee omdat de Amstelveenseweg ten opzichte van de Kalfjeslaan twee meter hoger ligt. Het gebouw werd in 1936 in een uitgebreid artikel in het Bouwkundig Weekblad gepubliceerd. Architect J.P.L. Hendriks heeft slechts lichte kritiek; hij vindt hij dat er sprake is van een te grote gebondenheid aan economische factoren, maar erkend aan de andere kant dat het toch een gaaf en bruikbaar complex geworden is. C.G. Geenen bekritiseert in Het Gildeboek de proporties van de entree en de schijnribben van het houten cassette plafond. Ook vindt hij dat het dakoverstek van de pastorie te veel aan villabouw doet denken. Voor het overige is hij enthousiast over de diverse praktische oplossingen die Van Hardeveld voor de plattegrond van het gebouw heeft gevonden. De kerk is gebouwd als ??n grote kerkzaal en komt zo tegemoet aan de eisen die door de zogenaamde liturgische beweging aan een dergelijke ruimte worden gesteld. De grote breedte, die ten opzichte van de traditionele (gotische) kerkbouw. De preekstoel is direct vanaf het priesterkoor bereikbaar. Links van de hoofdingang ligt een bidkapel die een eigen toegang heeft. en daardoor open kan blijven terwijl de kerk gesloten is. Naast het hoofdaltaar bevindt zich een afzonderlijke zusterkapel met een eigen ingang. Dit met het oog op een zusterhuis en scholen die in de nabijheid van de kerk waren gepland. Ook bij dit gebouw heeft Van Hardeveld de toren benut als de overgang tussen het sacrale deel en het profane in de vorm van de pastorie. De verbindingsgang tussen sacristie en woongedeelte van de pastorie (het andere deel is voor bezoekers bestemd) is door beide verdiepingen doorgetrokken, waardoor een aardige ruimtewerking ontstaat. Deze gang is van boven met glastegels gedekt. Conform de nieuwe idee?n over de inrichting van Katholieke kerken is het zangkoor niet in de westgevel maar rechtsboven het priesterkoor gesitueerd, het orgel is om die reden excentrisch geplaatst. Ten gevolge van deze oplossing ontvangt het priesterkoor maar van ??n zijde licht. De oostgevel maakt door het ontbreken van vensters een zeer gesloten indruk. Om dat onder het priesterkoor, de zusterkapel en de sacristie ineen lopende vergaderlokalen zijn gesitueerd bevinden zich op op de begane grond een reeks verdiepinghoge vensters. Van die zijde gezien maakt de kerk, mede door de hoog opgemetselde schoorsteen, de indruk in een aantal stadia uitgebreid te zijn. Van Hardeveld heeft voor publieke bouwwerken een functionalistische benadering die soms over de esthetische uitgangspunten prevaleren. Dit heeft hem bij een volgend bouwwerk, het klein-seminarie te Apeldoorn veel kritiek opgeleverd.
Klein Seminarie (1934)
Het seminarie had de functie van een soort kostschool voor jonge mensen die zich tot het priesterschap geroepen voelden. De normale leertijd was zes jaar, waarna de theologische en filosofische studie aan het Groot-Seminarie te Driebergen-Rijsenburg werd voltooid. In augustus 1931 ontving de architect het bouwprogramma. In overleg met met een werkcommissie en drie geestelijken werkte hij aan ontwerp. In oktober 1932 kon de eerste aanbesteding plaatsvinden en op 1 oktober 1935 was het gebouw gereed. In het Bouwkundig Weekblad heeft de architect het seminariegebouw uitvoerig toegelicht. Hij vermeldt dat praktische eisen het zwaarst hebben gewogen. Het gebouw wijkt daarom in veel opzichten af van de voor seminaries tot dan toe gebruikelijk streng symmetrische opzet, die vaak de bruikbaarheid niet ten goede kwam. Ook was nadrukkelijk de wens geuit dat het gebouw licht en luchtig moest zijn, iets dat bepaald niet vanzelfsprekend was voor dit type bouwwerk. De vertrekken voor de studenten nemen de voornaamste plaats in . Zij zijn gevestigd in een 140 meter lange vleugel, die op het zuiden gericht is. Op de begane grond van het studentenhuis bevinden zich de studie- en recreatiezalen, alsmede de eetzaal. Op de eerste verdieping liggen, aan brede gangen de slaapzalen met een half afgeschermde ruimt voor ieder bed (een 'chambrette'). De leraren wonen in de vleugel die naar de weg gekeerd is. Zij hebben op de beganegrond hun gemeenschappelijke vertrekken en ontvangkamers, terwijl op de eerste en tweede verdieping de studeer- en slaapkamers gelegen zijn. Gemeenschappelijke vertrekken zijn de aula, de bibliotheek, de sacristie en de kapel. Bij het complex hoort een klein zusterklooster, waarin zich een separate kapel bevindt. Deze zusters zorgden verrichtten een deel van de huishoudelijke taken zoals wassen en koken., zij kunnen beschikken over een eigen kloostertuin. Het hoofdgebouw is ontworpen op een systematisch doorgevoerde travee-breedte van drie meter. Alle veertrekken hebben een breedte die het veelvoud is van die maat, dus voor slaapkamers drie, voor studeerkamers zes en voor klaslokalen negen meter, enzovoorts. Voor de kapel is deze vijf meter en voor het zusterhuis, dat op kleinere schaal is ontworpen, twee meter. De gangen binnen het gebouw zijn aan ??n kant gehouden teneinde het contact met de buitenlucht te bevorderen. Op de eerste verdieping zijn om die reden ruime loggia's en op de tweede verdieping ruime terrassen gebouwd. Het gebouw bevat een aula berekend op 600 bezoekers deze kan als toneel- en filmzaal dienst doen. Het keukencomplex is vrij centraal in het gebouw gelegen. maar Van Hardeveld verzekert de lezer niettemin dat 'de wee? etenslucht die vele gestichten zoo ongenietbaar maakt' in het gebouw geheel afwezig is. Het gebouw heeft een eigen bakkerij en een wasserij. De plaatsing van de toren met de aangrenzende kapel is nogal ongebruikelijk. Deze toren is door Van Hardeveld gedacht als een soort atrium, uitgevoerd in schoon metselwerk en overwelfd, de overgang tussen het profane en het sacrale gedeelte van het gebouw. (Deze toren doet behalve als luidtoren ook dienst als watertoren). Aan de kapel, eigenlijk een vrij grote kerk, is een ruime sacristie gebouwd. Ook de kapel is uitgevoerd in schoon metselwerk en overwelfd met netgewelven. De lambrisering in de kapel en de kolommen zijn gemetseld in matgeglazuurde blauwe steen. Deze kolommen zijn voorzien van kapitelen in Euville marbrier gebeeldhouwd met taferelen uit het leven van Christus. Het gebouw bevat veel eigentijdse constructieve details zoals kap- en torenspanten zijn van gelast staal. De vloeren zijn van gewapend beton. In het hoofdgebouw zijn stalen ramen toegepast: "Aangezien ik het min of meer fabriekachtige aspect, hetwelk stalen ramen geven die onmiddellijk in metselwerk geplaatst zijn, wilde ontgaan, had ik aanvankelijk het voornemen alle stalen-raam frames te vatten in een natuurstenen omlijsting. Dit werd echter te kostbaar; ten slotte is de omlijsting uitgevoerd in terra-cotta blokken...'(11). Verder zijn de modernste technische installaties op het gebied van verwarming, ventilatie, watervoorziening, was- en droogmachines en radioantennesystemen aangebracht.
De redactie van het R.K. Bouwblad waarin C.M. van Moorsel, J. van Dongen, B.J. Koldewey, Nic. Molenaar zitting hadden rekende nogal rigoureus af met dit project, iets waarbij uiteraard jalousie de m?tier een rol gespeeld kan hebben. "Het vervult in zijn architektonische houding, in zijn bouwkunstigen stijl, g??n positieve functie in de ontwikkeling van de moderne christelijke kunst. Het spreekt geen enkelvoudige, duidelijk gerichte taal. Er spreekt een bepaalde aesthetische verzorging uit, niet ??n uitgesproken stijl-vorm dus. Het werk is niet uitgegroeid tot een organischen opbouw in verhouding van massa en ruimte, het is aesthetisch be?nvloed van verschillende kanten uit." (215). En voorts "Men ontmoet in dit Seminarie, dat de vormgeving meer om 'aesthetische' redenen gekozen werd, dan om haar bouwkundige (en) geestelijke expressie". Indien men deze kritiek omdraait kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat Van Hardeveld bij de bouw van dit seminariegebouw vernieuwend te werk is gegaan. Hardeveld is De voortbrengselen van beeldende kunst in het gebouw komen er nog minder gunstig van af.
Ook de plattegrond wordt niet ontzien. "In den opbouw is het hinderlijk, dat de toren tusschen de kapel en de Noordelijke vleugel van den hoofdbouw werd ingekneld. Dezen torenvorm leent zich allerminst voor deze plaatsing; ze scheidt de kapel van den overigen seminariebouw, in plaats van haar daarmee tot en organisch geheel te maken". Niet geheel onterecht worden ook de dakramen van de slaapzalen bekritiseerd die in de vorm van een doorlopende kajuit het dak doorbreken en in de rustieke heideomgeving minder passen dan een gesloten vlak zou hebben gedaan. Voor Van Hardeveld is de kritiek op het Klein Seminarie, onder de religieuze creaties zijn hoofdwerk, ongetwijfeld zeer teleurstellend geweest. Nic. Molenaar schrijft dan ook in een necrologie: "Hij hield zich na de bouw van het Klein Seminarie te Apeldoorn zorgvuldig op een afstand van alle publiciteitsmogelijkheden en sloeg alle aanzoeken in die richting met beslistheid af." (203)
Kerk van de HH. Engelbewaarders, Badhoevedorp 1937
De kerk is in 1937 gebouwd op een terrein dat in het uitbreidingsplan voor een openbaar gebouw was gereserveerd. Het gebouw is oost-west ge?rienteerd, waardoor het scheef op het beschikbare grondstuk is komen te staan. Het is een parochiekerk met 540 zitplaatsen. De bouwsom was beperkt en daarom moest het zangkoor 'ouderwets' in de toren gesitueerd worden. In de toren is ook een bidkapel opgenomen die altijd open kan blijven ook als de kerk verder gesloten is. De architect heeft in een beschrijving van zijn ontwerp er op gewezen min of meer intu?tief te werk te zijn gegaan: Ik heb er niet te veel bij geredeneerd toen ik het ontwerp maakte, ik heb alleen gevoeld dat ik het zoo moet doen, en ik weet dat het me bevredigde het z?? te doen. Misschien heb ik min of meer bewust vermeden iets "moderns" te willen maken, waarbij ik onder modern versta en waaronder langen tijd verstaan is, iets te maken wat nog niet bestaan heeft."(178) De kerk was in 1940 eigenlijk nog niet geheel voltooid, eigenlijk was alleen 'de romp' nog maar gereed. De kerk is in- en uitwendig uitgevoerd in schoon metselwerk. Uitwendig van bonte kleurige Brabantse handvormsteen op een hoge plint van reuzenmoppen. Het driebeukige schip heeft een open dakstoel die de houten kapconstructie in het zicht laat. De zijbeuken worden door kolommen gemetseld uit geglazuurde Friese baksteen van het schip gescheiden. De koorkapel, die licht verhoogd is gesitueerd, ontvangt uitsluitend licht uit de vensters in de zijmuren. De centrale verwarming gestookt op kolen is in de kelder van de sacristie ondergebracht, deze aanbouw heeft een hoge schoorsteen en is opgetrokken in een stijl die aan de negentiende-eeuwse landelijke bouwwijze herinnert. De natuurstenen bouwsegmenten zijn van Ettringer tufsteen
Kerk Dronrijp 1938
De verbouwing van de RK-kerk van Dronrijp kan moeilijk een hoogtepunt in de carri?re van Van Hardeveld worden genoemd. Het oorspronkelijke gebouw was een typisch 19de eeuws dorpskerkje met neoklassieke stijlkenmerken. Klaarblijkelijk was de wens ontstaan de parochiekerk meer uitstraling te geven en was er behoefte aan een pastorie en/of parochiehuis. Van Hardeveld wijzigde de westgevel door de aanbouw van een hoge toren met een traptorentje. De nieuwe toren verjongt zich licht tot een cordonband, waarboven zich twee rondbogige galmgaten bevinden. Boven de klokkestoel bevindt zich een omloop met balustrade. De spits zelf heft een achtkantige uitvorm en is bekroond met een dito lantaarn met kruis. De pastorie is qua bouwstijl aangepast aan de plaatselijke omgeving.
RK Johannes de Doperkerk 1951
De Johannes de Doper is een drieschepige basilikale kerk met een voor dit type gebouw uitzonderlijke breedte. Met de westgevel ligt de kerk tegen een dijk. Door deze ligging bevindt zich de kerkzaal feitelijk op de verdieping van het gebouw, terwijl zich op de beganegrond vermoedelijk zaaltjes en dienstruimten bevinden. Het koor bevindt zich in een uitgebouwde rechthoekige absis met twee zijabsiden die gedeeltijk voor altaarnissen worden benut en anderdeels als sacristie. Deze absiden hebben een opwaarts geknikt dak voorzien van een zakgoot. De lichtbeuk wordt gedragen door betonnen kolommen en is voorzien van ruitvormig glas-in-lood. Het plafond heeft een cassettestructuur en bestaat vermoedelijk uit beton. Op de absis staat een open klokkenstoeltje, waarop een eenvoudig metalen kruis. De oostgevel vertoont een motief van vijf langgerekte Romaanse spaarbogen. In deze gevel bevinden zich voorts een aantal eenvoudige woonhuisvensters onder een betonnen architraaf. Bij de westgevel heeft een drievoudige ingang tussen hoge pilasters, boven de middelste deur is de dakrand van het lichthellende dak doorbroken waardoor het effect van een gebroken fronton ontstaat. Het priesterkoor is door een verhoging waarop een tweetal muurtjes in schoon metselwerk van de kerkzaal gescheiden. Het altaar is op een verhoging vrijwel tegen de achterwand geplaatst.Het is duidelijk dat Van Hardeveld met deze kerk een aantal van zijn vooroorlogse principes overboord heeft gezet. Dit blijkt uit het lage middenschip en de toepassing van beton. Voor het overige maakt het gebouw een bescheiden en een wat zuidelijke indruk; een terugkeer naar de vroeg christelijke basiliek. De kerk is geen lang bestaan beschoren geweest en is vermoedelijk al in de jaren tachtig afgebroken.
Volkswoningbouw in Amsterdam
Een woningbouwcomplex dat qua decoratie aansluit op de betonwoningen, is dat aan het Temsplein te Heerlen (ca. 1920). De opdracht voor deze woningen hangt ongetwijfeld samen met die voor de eerder genoemde schouwburg in deze stad. In het Bouwkundig Weekblad van 1921 zijn de huizen door de beide architecten, Pauw & Van Hardeveld, gepubliceerd. De woningen staan op een hoge plint van mergelsteen en in de gevels is afwisselend gebruik gemaakt van donker rood en geelachtige Limburgse ringovensteen. De zware rondboogportalen met gemetselde bloembakken van mergelblokken geven deze middenstandswoningen een monumentaal aanzien. De hoekpanden zijn op de derde verdieping voorzien van een houten beschot dat in kleurige banden geschilderd is. Helaas vermelden de architecten niet welke kleuren zij daarvoor hebben gekozen. Met de al genoemde bibliotheek, de schouwburg en dit project hebben Pau & Van Hardeveld de Amsterdamse School in Heerlen ge?ntroduceerd. Een van de vroegste grote woningbouwcomplexen die het duo Pauw & Van Hardeveld in Amsterdam gerealiseerd heeft, is dat aan de Baarsjesweg (1923). In 1925 publiceerde Van Hardeveld dit project in Klei. Hij beklaagt zich in dat artikel over de rol van Amsterdamse gemeentelijke organisaties als Gemeentelijke Grondexploitatie en Bouwtoezicht die de architect in zijn ogen in een keurslijf dwingen. Zijn ontwerp draagt er de sporen van: "Horizontale en verticale geledingen zijn vlakgestreken, heele erkerpartijen weggemasseerd. " Over de plattegrond voor deze middenstandswoningen valt niet veel op te merken: vier kamers, een keuken en een zolder met zolderkamer. De gevels hebben een geprononceerde ingangspartij die bestaat uit een portiek geflankeerd door twee deuren voor de benedenwoningen. Bij een gevelvariant zijn deze portieken geflankeerd door kiosk-achtige erkertjes. Horizontaal lopen een aantal banden van siermetselwerk van afwisselend rode en gele baksteen. Voorts is het opmerkelijk dat de schoorstenen diagonaal zijn
|