|
Essay:
|
G.C. Bremer (1880-1949) door R. Visser-Zaccagnini Voorwoord Mijn onderzoek naar het leven en het werk van rijksbouwmeester Gustav Cornelis Bremer begon tijdens mijn studie aan de universiteit van Utrecht, bij de colleges 'Bouwkunst na 1750' gegeven door de docent Marie Th?r?se van T ... meer
G.C. Bremer (1880-1949) door R. Visser-Zaccagnini
Voorwoord
Mijn onderzoek naar het leven en het werk van rijksbouwmeester Gustav Cornelis Bremer begon tijdens mijn studie aan de universiteit van Utrecht, bij de colleges 'Bouwkunst na 1750' gegeven door de docent Marie Th?r?se van Thoor. Met medestudent Chantal Coumans - met wie ik zeer prettig heb samengewerkt - verrichtte ik destijds voor het eerst een onderzoek naar Bremer en de invloeden van de Beaux-Arts opleiding op zijn architectuur. Dankzij de vriendelijke medewerking van Corjan van der Peet, medeauteur van het boek De Rijksbouwmeesters, kwamen Chantal en ik in contact met Guus van Hemert, zoon van Aloysius Adrianus van Hemert, ooit een naaste medewerker van Bremer. Eerst ging mijn aandacht naar het leven en het werk van Van Hemert, wiens priv?-archief in opdracht van de Rijksgebouwendienst door mij is gecatalogiseerd en beschreven. Inmiddels is dit archief door het Nederlands Architectuurinstituut verworven. In tweede instantie volgde een onderzoek naar het leven en het werk van Bremer, dat het onderwerp werd van mijn doctoraalscriptie. Als vrijwillige medewerker van BONAS heb ik nu dit basisonderzoek verbreed en tot het huidige boek verwerkt.Tijdens mijn boeiende onderzoek in archieven en instellingen in het hele land heb ik het genoegen gehad veel mensen te mogen ontmoeten die met veel enthousiasme belangeloos hebben bijgedragen aan de totstandkoming van mijn scriptie en dit boek. Ik wil graag iedereen bedanken voor de geweldige medewerking. Ik wil enkele personen in het bijzonder noemen: dhr. T. van der Meer van het archief VROM, dhr. Ch. Bachoe van het Atelier van de Rijksbouwmeesters, dhr. G. Steenmeijer, mevr. S. Spiekman van het archief van het Museum voor Communicatie in Den Haag; mevr. C. der Glopper van het Gemeentearchief Wassenaar (Oud Archief); de heren G.H. Maassen, W. Meijerink, P. Verkaik van het Gelders Archief; dhr. M. van den Wijngaart van het Gemeentearchief Wageningen en de dhr. S. Minis van de afdeling Monumenten van de Gemeente Maastricht, dhr. A. van Berneveld van de Historische Vereniging ?Heemkunde?, dhr. H. de Raad van het Regionaal Archief Alkmaar en dhr. D. van der Tang, kerkarchivaris in Voorhout. Verder wil ik voor hun hulp en raad bedanken Marie Th?r?se van Thoor, Guus van Hemert, Astrid Homan en mijn zonen Arne en Mark Visser. Inleiding
Het eerste onderzoek naar het leven en het werk van Gustav Cornelis Bremer werd in 1985 verricht door M.A.D. van Nieuwpoort voor zijn doctoraalscriptie 'Een communicatietheoretische architectuurstudie. De architectuur van Ir. G.C. Bremer'.(1) Van Nieuwpoort putte de informatie voor zijn tekst uit een archiefonderzoek, een interview met de dochter van Bremer en uit een gesprek met de heer Nijhuis van de Rijksgebouwendienst. Daarnaast kreeg hij inzage in het priv?-archief van Bremer, dat destijds in Bremers huis te Laag-Soeren werd bewaard. Van Nieuwpoort stelde de eerste oeuvrelijst van Bremer op, met 59 uitgevoerde en niet uitgevoerde ontwerpen. Voor drie ontwerpen kon het auteurschap van Bremer niet met zekerheid worden vastgesteld. Vijf jaar later schreef G. Verheggen een tweede doctoraalscriptie over G.C. Bremer, waarbij diens rol binnen de Rijksgebouwendienst centraal stond: 'G.C. Bremer Rijksbouwmeester, twintig jaar bouwen voor het rijk'.(2) De oeuvrelijst die Verheggen presenteerde, telde vierendertig ontwerpen. In 1992 publiceerde Van Nieuwpoort in het Bulletin van de KNOB een artikel over de architectuur van Bremer, dat op zijn doctoraalscriptie uit 1985 was gebaseerd.(3) In dit artikel werd het leven en het werk van de Rijksbouwmeester besproken en tevens een nieuwe oeuvrelijst gepresenteerd, nu met in totaal vijftig ontwerpen. De scriptie van Verheggen werd in 1995 door C. van der Peet gebruikt als basis voor het schrijven van het hoofdstuk 'Bremer, op zoek naar een bezielde vormgeving', in het boek De Rijksbouwmeesters. Deze informatie werd aangevuld met gegevens uit het reeds genoemde artikel van Van Nieuwpoort en met nieuw materiaal, waaronder interviews die Van der Peet zelf had verzameld.(4) De derde doctoraalscriptie over G.C. Bremer, getiteld 'Gustavus Cornelis Bremer Rijksbouwmeester, 1880-1949' werd door mijzelf samengesteld in 2003. In deze scriptie werden de reeds bekende gegevens over Bremer verzameld, getoetst en uitgebreid met nieuw materiaal.(5) De scriptie vormt tevens de basis voor het huidige boek. Doel van de scriptie was de persoon Bremer - in de geschiedschrijving een vergeten architect - zijn welverdiende plaats te geven in de Nederlandse architectuurgeschiedenis. Hierbij was het van belang zijn persoon te belichten en contour te geven, zijn stijl te omschrijven en ten slotte de receptie van zijn werk onder de loep te nemen. De omschrijving van Bremers stijl vereiste een nauwkeurige, goed onderbouwde oeuvrelijst. Het verzamelen van gegevens werd bemoeilijkt door de ontmanteling van het archief van de Rijksgebouwendienst tijdens een ingrijpende reorganisatie van de dienst, waar ook Van Nieuwpoort en H.M.H. van de Schoor reeds in 1992 en 1993 op stuitten.(6) Tijdens deze reorganisatie werden de tekeningen van de rijksgebouwen op microfiches gezet en aangeboden aan het toenmalige Algemeen Rijksarchief. Deze microfiches - toegankelijk voor het publiek - zijn ingedeeld in twee archieven, 'Archief van de architect' en 'Archief van de constructeur'. Het eerste archief bevat slechts enkele architectuurhistorisch interessante tekeningen en het tweede archief bestaat uit constructietekeningen waarbij de architectuur van gebouw vaak onherkenbaar is. Eind vorige eeuw verhuisde de Rijksgebouwendienst naar het gebouw van het Ministerie van VROM. Bij die gelegenheid werd het hele semi-statische archief vernietigd, inclusief het priv?-archief dat de weduwe van Bremer eind vorige eeuw aan de Rijksgebouwendienst had overgedragen. Hierdoor werd het bij mijn onderzoek noodzakelijk alle lokale archieven in Nederland te bezoeken om de reeds beschikbare gegevens te toetsen en, indien mogelijk, aan te vullen. In 2001 ontstond er dankzij Corjan van der Peet een zeer waardevol contact met Guus van Hemert, zoon van wijlen rijksarchitect Aloysius Adrianus (Louis) van Hemert (1891-1970), die naaste medewerker van Bremer was. Guus van Hemert stelde twee manuscripten beschikbaar die door zijn vader zijn geschreven en die een inzicht geven in Bremers levensloop en activiteiten bij de Rijksgebouwendienst. Bij de familie Van Hemert was bovendien een zeldzaam en nagenoeg compleet archief met tekeningen, foto's en documenten bewaard gebleven. Bij de samenstelling van de documentatie is tevens van belang geweest het vruchtbare gesprek met de gepensioneerde architect Mart Bolten (1916-2002), rechterhand van rijksbouwmeester G. Friedhoff (1892-1970), ook een voormalig medewerker van Bremer. Helaas waren de laatste getuigen die Bremer goed hadden gekend, zoals zijn dochter Annie Bremer en rijksarchitect H. de Lussanet de la Sabloni?re (1907-2002), reeds overleden. De argumenten bij toeschrijvingen aan Bremer in de verschillende publicaties zijn niet altijd duidelijk of overtuigend. In 1993 verscheen in het Bulletin van de KNOB een reactie van H.M.H. van de Schoor op het eerder genoemde artikel van Van Nieuwpoort over het leven en werk van Bremer.(7) Van de Schoor uitte hierin zijn kritiek op de door Van Nieuwpoort samengestelde oeuvrelijst, die volgens hem alleen op stilistische criteria was gebaseerd. Daarbij trok Van de Schoor de getuigenis van Bremers dochter Annie - die hij abusievelijk als echtgenote van Bremer zag - en de inhoud van twee korte necrologie?n van Bremer in het vakblad Bouw in twijfel.(8) De redenen waarom hij twijfelde aan deze necrologie?n zijn niet duidelijk. Deze omvatten een necrologie in het Bouwkundig Weekblad, een artikel van C. Barentsen in het Polytechnisch Tijdschrift, twee necrologie?n in Bouw en een artikel van G. Friedhoff, ook gepubliceerd in het Bouwkundig Weekblad.(9) Deze oeuvrelijsten zijn echter onvolledig en, zoals bleek tijdens het archiefonderzoek, niet altijd betrouwbaar. Bremers werkzaamheden als particulier architect zijn gedocumenteerd in contemporaine publicaties. Daarnaast zijn er nog ontwerptekeningen van Bremer voor prijsvragen. Tijdens Bremers ambten als adjunct-directeur bij de Landsgebouwendienst en als Rijksbouwmeester liet hij het nooit na om in vakbladen of plaatselijke kranten zijn werk te beschrijven en zijn auteurschap te onderstrepen. Waarschijnlijk was Bremer zich bewust van de moeilijkheid om in het geval van rijksgebouwen een auteurschap vast te stellen. Een rijksgebouw was altijd het resultaat van de inspanningen van een heel team. De verschillende tekeningen werden door de tekenaar of de ingenieur gesigneerd en alle voltooide projecten werden gepresenteerd door de Rijksbouwmeester, die de eindverantwoordelijkheid had. Er bestaan echter twee perspectieftekeningen, die van de nieuwe brug over de Maas in Maastricht en van het Postkantoor te Zaandam, die door Bremer zijn gesigneerd. Van de gebouwen die Bremer ontwierp in de periode rond de Tweede Wereldoorlog zijn door de omstandigheden zeer weinig documenten bewaard gebleven. De Rijksgebouwendienst zorgde voor een groot aantal utiliteitsgebouwen, zoals postkantoren, versterkerstations en laboratoria voor de universiteiten. Tijdens Bremers ambtsperiode was er een intensieve bouwactiviteit en verrezen er niet minder dan 64 nieuwe postkantoren, waarvan alleen al ongeveer 33 in de jaren 1938 en 1939.(10) De financi?le beperkingen en de eisen van de directie van de Posterijen en van de Curatoren van de universiteiten waren beslissend voor de ontwerpen. De rol van de Rijksbouwmeester bestond met name uit het geven van aanwijzingen aan zijn staf en het onderhouden van contacten met de instellingen. Bremer was een liberaal persoon en hij liet veel ontwerpvrijheid aan zijn medewerkers, maar stond ook bekend als iemand die vaak zelf achter de tekentafel was te vinden.
De eerste jaren
Over de jeugd van Kees Bremer, zoals Gustav Cornelis Bremer werd genoemd, is weinig bekend. Hij werd op 7 juli 1880 in Rotterdam geboren als zoon van Gustav Jacob Wilhelm Bremer en Cornelia Maria Jacoba Munting. De familie was welvarend en woonde in een huis aan de elegante 's-Gravendijkwal.(11) De vader was een bekende wetenschapper; in 1875 promoveerde hij tot doctor in de wis- en natuurkunde. Van 1878 tot aan zijn overlijden in 1909 gaf hij les aan de Hogere Burgerschool en aan het Erasmiaans Gymnasium in Rotterdam.(12) Naar aanleiding van zijn overlijden verscheen er in het Chemisch Weekblad een portret met een levensschets en een lijst van zijn publicaties en wetenschappelijke onderzoeken. Het gezin telde vier kinderen: Gustav Cornelis (Kees), Frederica Cornelia Aleida, Wilhelmina Margaretha Carolina en Gustav. Wilhelmina trouwde in 1915 met de kweker George Albert Dagnelie, Gustav studeerde als landbouwkundige en vertrok in 1915 naar Pasoeroean in Nederlands-Indi?. De oudste dochter Frederica woonde aanvankelijk ook in Nederlands-Indi?, waar zij werkzaam was als tekenlerares in Batavia. Later gaf zij les aan de Hogere Burgerschool voor meisjes in Rotterdam(13), en in 1942 publiceerde zij een verzorgd kunstgeschiedenisboek voor het voorgezet onderwijs, getiteld 'Inleiding tot de kunstgeschiedenis'.(14) Ze had een uitstekende kennis van de Italiaanse taal, en wel zodanig dat ze een Nederlandse vertaling van Dantes Divina Commedia kon maken. Dit boek werd ge?llustreerd met illustraties van Gustav Dor?.(15) Voor jonge studenten die bouwkunde wilden studeren, zoals in het geval van de oudste zoon van de familie Bremer, Kees, waren er destijds twee keuzes: de Academie, die een kunstzinnig karakter had, of de Polytechnische School te Delft, die meer op de praktijk gericht was en waar men de titel van ingenieur kon behalen. Ondanks zijn wens om de Academie te volgen, meldde Bremer zich - mede onder invloed van zijn vader - bij de Polytechnische School te Delft aan, waar hij als bouwkundig ingenieur afstudeerde in 1904.(16) In die jaren doceerde in Delft de hoogleraar E.H. Gugel (1832-1905), en vanaf 1902 diens opvolger H.J. Evers (1855-1929).(17) Zij hanteerden de methodes van de Franse ?cole des Beaux-Arts. Na een periode in militaire dienst verhuisde Bremer in 1907 naar Den Haag.(18) Daar werkte hij, waarschijnlijk als hoofd van de tekenkamer, aan de bouw van het Vredespaleis, onder supervisie van J.A.G. van der Steur (1865-1945). In deze periode kreeg hij de mogelijkheid om kennis te maken met de architecten D.F. Slothouwer (1884-1946), A.L. Oger (1886-1947) en H.Th. Wijdeveld (1885-1987), die aan hetzelfde project werkten.(19) Op 5 december 1908 werd Bremer aangenomen als architect-lid bij de Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst Vakvereeniging van Nederlandsche Architecten (MBVA).(20) Hij deed actief mee als commissaris in het nieuwe bestuur van de afdeling Den Haag, waar rijksbouwmeester D.E.C. Knuttel (1857-1926), de latere chef van Bremer bij de Landsgebouwendienst, voorzitter was.(21) Twee maanden na het overlijden van zijn vader keerde Kees op 26 februari 1910 terug naar zijn ouderlijk huis in Rotterdam, waar hij een jaar verbleef.(22) Uit dit jaar is Bremers eerste opdracht als architect bekend, een verbouwing en uitbreiding van het prestigieuze 'Huize Beukbergen' in Huis ter Heide.(23) Op 30 mei 1911 verhuisde Bremer naar Arnhem, vermoedelijk om met de oudere en regionaal bekende architect A.R. Freem (1853-1921) te gaan werken. Hij vestigde zich aan de Utrechtscheweg 51 (tegenwoordig Utrechtsestraat).(24) Op 16 augustus van het volgende jaar trouwde hij in Haarlem met een onderwijzeres biologie, Johanna Margaretha Buekers.(25) In datzelfde jaar had Bremer een terrein gekocht aan de Klingelbeekseweg te Oosterbeek, gelegen in de gemeente Renkum. Daar liet hij naar eigen ontwerp een landhuisje bouwen, dat hij 'De Kaap' noemde.(26) Het jonge stel zou daar verblijven tot de verhuizing naar Den Haag in 1916. Op 13 november 1915 werd Bremers eerste dochter, Geertruida, geboren.(27)
Architect in Arnhem
Bremer en Freem hadden een architectenbureau aan de Prins Hendrikstraat 63.(28) De twee architecten bouwden in de omgeving van Arnhem verschillende landhuizen waarvan, als gevolg van oorlogsgeweld, weinig documentatie bewaard is gebleven. Twee landhuizen, de villa 'Klein Engelenburg' te Leuvenheim (1912), met een fraaie gevel in Hollandse achttiende-eeuwse stijl, en de modernere villa 'Arva' te Velp (1913) (29), in Engelse landhuisstijl, werden met veel lof in de architectenwereld ontvangen en in 1916 in het boek Het Moderne Landhuis in Nederland gepubliceerd.(30) Vreemd genoeg is in Bremers necrologie in het Bouwkundig Weekblad geen van beide genoemd, maar alleen een villa aan de Utrechtseweg (tegenwoordig nr. 284) in Arnhem. Ze bouwden waarschijnlijk nog andere villa's in de omgeving, zoals bijvoorbeeld het landhuis aan de Cordesstraat 4, waarvan geen documenten bewaard zijn gebleven.(31) Tussen 1911 en 1914 werkte Bremer ook aan het ontwerp en de uitvoering van de restauratie van het Kleine Kerkje in Voorhout, die aanvankelijk aan J.A.G. van der Steur was opgedragen.(32) De architect J.H. van der Veen (1890-1944) was in die tijd bij Bremer en Freem in de leer. In Arnhem trof Bremer een bezield cultureel klimaat aan. De afdeling van de MBVA was er bijzonder actief. Bremer kwam daar in contact met W.F.C. Schaap (1870-1933), de directeur van Gemeentewerken Arnhem en een gedreven bestuurslid, en tevens met G. Versteeg (1872-1938), de adjunct-directeur van Gemeentewerken. Versteeg was onder meer redactielid van het Bouwkundig Weekblad en secretaris van Vakbelangen.(33) Met Versteeg had Bremer veel gemeen, zoals later zou blijken: een bijzondere interesse voor de nieuw opgerichte Schoonheidscommissies, het streven naar een betere waardering voor de ambtenaar-architecten en het onderhouden van goede banden met de Nederlandse kunstenaarsverenigingen.(34) Freem was ook actief lid van de MBVA en - samen met Versteeg - lid van het Verbond van de Nederlandse Kunstenaarsverenigingen.(35) De vier architecten Bremer, Freem, Schaap en Versteeg traden verschillende malen gezamenlijk op om hun opinie te uiten en collega's te steunen. Zo stuurde de groep in 1912 uit protest een ingezonden brief aan de Gemeenteraad van Rotterdam, medeondertekend door andere architecten, omdat H.P. Berlage (1856-1934) niet door de gemeente was uitgenodigd om deel te nemen aan de prijsvraag voor het nieuwe stadhuis van Rotterdam.(36) In 1913 nomineerden zij samen de architecten A. Salm GBzn., B.J. Ou?ndag (1861-1932), H.P. Berlage en W. Kromhout (1864-1940) als kandidaten voor de verkiezingen van het hoofdbestuur van de MBVA.(37) In Arnhem werd Bremer als integer persoon gewaardeerd en de afdeling pleitte met succes voor zijn kandidatuur als lid van de landelijke Commissie van Onderzoek van de MBVA.(38) Toen op 1 september 1914 adjunct-directeur G. Versteeg ontslag nam bij het bureau Gemeentewerken, volgde Bremer hem op.(39) Hij werd waarschijnlijk gekozen omdat de sollicitanten voor de vacante betrekking allen voor militaire dienst opgeroepen waren.(40) Bremer ging niet in dienst, waarschijnlijk omdat hij kostwinner was. In dit ambt zorgde hij voor het uitvoeren van verschillende schoolprojecten die door Versteeg zelf eerder waren opgezet. De belangrijkste uitvoeringen waren de school voor de 'Vereeniging ter bevordering van het vakonderwijs voor kleermakers' en de 'Openbare School 20' aan het Van Verschuerplein. Het ontwerp van Versteeg voor de monumentale Gemeentelijke Hogere Burgerschool voor Meisjes aan de Apeldoornseweg (1914-1916) werd door Bremer zodanig veranderd dat het als eigen ontwerp werd beschouwd. Met dit traditionele en tegelijk moderne gebouw openbaarde Bremer zich als een bekwame vakman en bezielde architect. Het gebouw werd in de vakwereld met veel lof ontvangen en de tekeningen werden met naam en toenaam in het Bouwkundig Weekblad gepubliceerd.(41) In zijn periode in Arnhem maakte Bremer ook kennis met de architect H.F. Mertens (1885-1960), met wie hij bevriend raakte. Mertens, die eind juni 1915 Bremer als adjunct-directeur in Arnhem volgde, bouwde kort na zijn benoeming de Openbare Lagere School 21 aan de Brantsenstraat (De Tamboersbosjeschool), misschien op basis van een bestaand ontwerp van Bremer.(42) In het najaar van 1915 kreeg Bremer opdracht van rijksbouwmeester D.E.C. Knuttel om enkele ontwerpschetsen te maken voor de gevels van het nieuwe Postkantoor in Rotterdam. Al in begin 1911 had J.F. van Hoytema (1884-1955), de toenmalige adjunct van Knuttel, het eerste ontwerp van het postkantoor gepresenteerd. H.Th. Teeuwisse (1880-1960) ontwikkelde, als opvolger van Van Hoytema, een tweede plan, waarbij de gevels, naar ontwerp van de opzichter bij de Landsgebouwen D. van der Paauw, Knuttel kennelijk niet bevielen. De rijksbouwmeester schakelde Bremer, die hij via de MBVA goed kende, in om een nieuw ontwerp te tekenen.(43) Deze opdracht leidde ertoe dat Bremer bij het Rijk ging werken.
Bij de Rijksgebouwendienst
D.E.C. Knuttel was sinds 1892 Rijksbouwmeester voor het Tweede District van de dienst Landsgebouwen. Destijds bestonden in Den Haag veertien bureaus voor de bouw en het onderhoud van de rijksgebouwen, die tezamen onder zeven ministeries vielen. De dienst Landsgebouwen beheerde de gebouwen van de Posterijen en Telegrafie (vanaf 1926 Posterijen, Telegrafie en Telefonie), van het Ministerie van Financi?n en van Landbouw, ten dele de gebouwen van het Ministerie van Nijverheid en Handel en de meeste Haagse rijksgebouwen. Deze dienst was verdeeld in twee districtbureaus: het Eerste District (voor de provincie Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, Overijssel, Drenthe, Friesland en Groningen) en het Tweede District voor de overige provincies. Deze verdeling van taken was niet echt duidelijk. Bijvoorbeeld had het Eerste District ook het beheer van het centrale magazijn voor Telegrafie en Telefonie en het Centraal Bureau voor de Statistiek, beide te Den Haag. Het Tweede District echter beheerde het directiegebouw van de Rijkspostspaarbank te Amsterdam, het proefstation voor bacteriologische waarnemingen te Groningen, alle landbouw-, proef- en controlestations en alle gebouwen voor de meteorologische dienst.(44) Op 1 januari 1916 be?indigde Bremer zijn werk in Arnhem en werd hij als 'tijdelijk opzichter' met de titel 'tijdelijk ingenieur' aangenomen bij het Tweede District van de dienst Landsgebouwen. Hij kreeg een salaris van ? 250,- per maand.(45) Dit dienstverband werd medio maart omgezet in 'adjunct-rijksbouwmeester'. In deze hoedanigheid nam Bremer de plaats in van M.J. Granpr? Moli?re (1883-1972).(46) Bremer werkte samen met de oudere adjunct-rijksbouwmeester H.J.A. van der Kooij (geb. 1856), die vooral belast was met het onderhoud van de gebouwen in de residentie en de landbouwstations.(47) Het was de taak van de adjunct om leiding en aanwijzingen te geven tijdens het uitvoeren van nieuwbouwprojecten die onder de naam van rijksbouwmeester Knuttel werden gepresenteerd. Op het bureau werkten de architecten G. Friedhoff, de latere opvolger van Bremer als Rijksbouwmeester, J. H. Plantenga (1891-1942), P.F. Bordes (1886-1933) en bouwkundig ambtenaar J.R. Prent (1881-1952).(48) J.P.H. van Lunteren (1882-1958) en H.A. van den Eijnde (1869-1939) waren als vaste beeldhouwers aan het bureau verbonden.(49) Van Lunteren zou voor Bremer zelfs werken bij particulieren opdrachten. De bouw van het Postkantoor te Rotterdam begon in 1916 volgens het door Bremer gewijzigde ontwerp en zou pas in 1926 worden afgerond. Bremer schonk, zoals in al zijn ontwerpen, bijzondere aandacht aan het gebruik van natuurlijke bouwmaterialen bij de afwerking van het gebouw en hij maakte zelfs een reis naar Berlijn om een geschikte steensoort te zoeken.(50) Met dit eerste ontwerp voor het Rijk profileerde hij zich in de bouwwereld als ge?nspireerde architect en zijn stijl zou in de toekomst een duidelijke stempel op de rijksarchitectuur leggen. Ondanks zijn nieuwe en drukke baan bleef Bremer zich bezig houden met nevenactiviteiten. Hij was nog steeds actief lid van de Commissie van Onderzoek van de MBVA (51) en in 1917 deed hij als particulier architect met succes mee aan een prijsvraagontwerp voor het nieuwe gebouw voor de Rijksacademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam. Met een fraai en vakkundig getekend ontwerp genaamd 'Athena', eerst in klassieke stijl en later sterk door Berlage be?nvloed, eindigde hij als vijfde bij de eindstrijd in 1918. In 1916 was Bremer met zijn familie - na een kort verblijf in Den Haag - in Rijswijk gaan wonen.(52) In januari 1918 vroeg hij een bouwvergunning aan bij de gemeente Wassenaar om een landhuis naar eigen ontwerp te bouwen aan de Duinvoetlaan in de wijk Nieuw Wassenaar, waar het moderne villapark 'De Kievit' was aangelegd. De familie Bremer verhuisde op 5 augustus van hetzelfde jaar naar de nieuwe woning, die de betekenisvolle naam 'De Heerd' kreeg.(53) In het vrij grote huis woonden in het zuidelijke gedeelte Bremer met zijn familie en in het noordelijke gedeelte zijn moeder, Cornelia Maria Jacoba Munting, en haar zuster, Anna Aleida Munting, die vanuit Rotterdam waren overgekomen. Op 3 oktober 1919 werd Bremers tweede dochter, Annie, geboren.(54) Bremers reputatie als innovatief architect had ook de jonge generatie studenten bereikt. In 1919 werd hij voorgedragen door de studenten van de Technische Hogeschool Delft voor de verbouwing en uitbreiding van hun faculteit Bouwkunde aan de Doelenstraat, nadat J.K.W. Vrijman (1865-1954) - Rijksbouwmeester van de Onderwijsgebouwen - daarvoor was afgewezen.(55) Bremers plan werd nooit uitgevoerd. Tijdens Bremers ambt als adjunct-directeur werden bij de Rijksgebouwendienst verschillende gebouwen opgetrokken volgens gewijzigde ontwerpen van Granpr? Moli?re, waaronder het Hoofdpostkantoor in Maastricht (1915-1919) en de gebouwen voor het Hoofdbestuur der Posterijen en Telegraaf in Den Haag (1916-1924). Het is moeilijk te achterhalen welke inbreng Bremer heeft gehad bij deze stilistische wijzigingen. Wel kunnen we opmerken dat de rijksgebouwen - zoals ook het latere gebouw voor de Industri?le Eigendom in Den Haag (1920-1922) - een aantal specifieke elementen hebben die karakteristiek zijn voor Bremers architectuur, te weten: het monumentale karakter, het gebruik van natuurlijke en bijzondere bouwmaterialen, de grote zorg voor de interieurs, de aandacht voor details en de toepassing van beeldhouwwerken. In 1920 schreef het Ministerie van Waterstaat een besloten prijsvraag uit voor de verbouwing en uitbreiding van de Tweede Kamer der Staten Generaal tussen de Hofsingel en de Hofweg te Den Haag. Het bureau Knuttel presenteerde een indrukwekkend ontwerp dat door Bremer en de bouwkundig ambtenaar J.R. Prent was vervaardigd. De jury beschouwde het zeer imposante gebouw als het meest eigentijds, maar het ontwerp werd, onder andere vanwege de hoge kosten, nooit uitgevoerd. Het jaar daarop volgde in het Binnenhof in Den Haag een tentoonstelling van de ingezonden ontwerpen. Alleen op dat moment werden de namen van de auteurs van het ontwerp, Bremer en Prent, openbaar bekend gemaakt.(56) In 1923 werkte Bremer aan de uitbreiding van het Belastingkantoor van Rotterdam, dat in verschillende voormalige woonhuizen aan de Boompjes was ondergebracht. In april van hetzelfde jaar werd hij lid van de Commissie Voorlichting van de MBVA. en redactielid van het Bouwkundig Weekblad.(57) Hij publiceerde in dat tijdschrift in juli een bespreking van 'Sechs B?cher vom Bauen' van de Duitse architect en architectuurtheoreticus Friedrich Ostendorf (1871-1915).(58) Vervolgens schreef hij twee lovende artikelen over de architectuur van de Belgische architect Henry van de Velde (1863-1937), die hij zeer waardeerde en met wie hij tot aan zijn dood bevriend zou blijven.(59) In hetzelfde jaar volgde de 'Bouwkunst-tentoonstelling 1893-1923' in Amsterdam. Van Bremer werd een tekening gepresenteerd die bij het ontwerp voor de Technische Hogeschool te Delft hoorde, van Prent een perspectieftekening van de hal van het hoofdpostkantoor in Rotterdam en tekeningen van het ontwerp voor een Tweede-Kamergebouw. Het ontwerp voor de Technische Hogeschool werd als een 'uitstekend, sober en wel doorwerkt' ontwerp beschouwd.(60) Tijdens zijn ambt bij het Rijk werkte Bremer een enkele keer als priv?-architect. In 1919 en 1920 bouwde hij twee niet nader bekende villa's in Hilversum en in Utrecht, en in 1922 ontwierp hij een dubbel vakantiehuis, 'Merelnest' genaamd, gelegen naast zijn eigen huis in Wassenaar, in opdracht van de ingenieur J. Knoop Pathuis uit Den Haag.(61)
Rijksbouwmeester
Op 12 augustus 1921 werd er bij ministeri?le beschikking een commissie ingesteld onder voorzitterschap van E.J. Beumer, lid van de Tweede Kamer, om een reorganisatie van de dienst van de Landsgebouwen te onderzoeken.(62) Tegelijkertijd boog de nieuwe chef van de afdeling Gebouwen van het Ministerie van Financi?n J.C.E. baron van Lynden (1887-1946) zich over een rapport in het kader van het reorganisatieplan om een nieuw, effici?nter en vooral zuiniger apparaat te cre?ren. Daarbij zouden de verschillende bureaus administratief onder het Ministerie van Financi?n worden gebracht.(63) Op 16 juni 1922 besloot de ministerraad om vier van de grootste rijksgebouwendiensten te verenigen onder het Ministerie van Financi?n. In november van datzelfde jaar nam Van Lynden de taak op zich om de geschikte personen te benoemen voor de functies van het nieuwe apparaat. Bremer werd, uit een reeks van kandidaten zoals J.A. Vrijman, H.Th. Teeuwisse, H. Hoekstra (1881-1960) en D.E.C. Knuttel, eerst benoemd tot waarnemend Rijksbouwmeester en later tot hoofd van de afdeling Nieuwbouw.(64) Met het Koninklijk Besluit van 27 september 1923, dat van kracht werd op 1 oktober van dat jaar, waren de afdelingen Nieuwbouw en Onderhoud als onderdeel van het Ministerie van Financi?n een feit.(65) Nadat op 1 januari 1924 alle oude diensten waren opgeheven, werd het bureau Rijksgebouwendienst het centrale orgaan voor alle bouwkundige werkzaamheden. In augustus 1924 werd Van Lynden officieel benoemd tot hoofd van de afdeling Rijksgebouwen van het Ministerie van Financi?n, met als zijn directe ondergeschikten rijksbouwmeester Bremer van de afdeling Nieuwbouw en L. Bok, chef van de afdeling Onderhoud.(66) In eerste instantie was de rijksbouwmeester voor de Onderwijsgebouwen, J.A. Vrijman, kandidaat hoofd van de afdeling Nieuwbouw. Van Lynden beschouwde hem als zeer geschikt. Toen Vrijman schuldig werd bevonden van corruptie bij de bouw van de Technische Hogeschool in Delft en het Academisch Ziekenhuis in Leiden, werd Bremer benoemd. Onder hem kwamen verschillende architecten te werken: H. Hoekstra, J. Crouwel (eigenlijk: Crouwell, 1885-1962), H.A. van Heeswijk (geb. 1872), en J.G. Robbers (1881-1943). Later zouden tevens worden aangesteld A.A. van Hemert, H.L. Engberts (1893-1976), W. Helwig (1892-1949) en - aanvankelijk - G. Westerhout (geb. 1893). In 1940 werden aan het team toegevoegd J. de Bruin (geb. 1902), F.E. R?ntgen (1904-1980), H. de Lussanet de la Sabloni?re (1907-1994) en M. Bolten (1916-2002). Verder werkte tot in 1934 J.Th.J. Cuypers (1861-1949) parttime als adviseur omtrent het Rijksmuseum te Amsterdam. Het bureau werd bijgestaan door het technische bureau met als hoofdingenieur J. Emmen (1889-1965) en diens assistent H.J.J. Engel (1904-1986).(67) In 1924 voerde de Rijksgebouwendienst, onder het motto zuinigheid, talrijke werkzaamheden uit, waaronder huizen van bewaring, grenskantoren, post- en telegraafkantoren, versterkerstations en huizen voor Staatsbosbeheer. In het kader van de bezuinigingen werd de toepassing van beeldhouwkunst tot een minimum beperkt. Van Lynden stelde in 1923 zelfs voor de beeldhouwers Van Lunteren en Van den Eijnde te ontslaan.(68) Dat was een beslissing die moeilijk door Bremer, die beeldhouwwerken als een zeer belangrijk onderdeel van de architectuur beschouwde, kon worden geaccepteerd. De extreme bezuinigingen en het autoritaire optreden van Van Lynden - die geen ruimte liet voor eigen initiatief van de hoofden van beide afdelingen - maakten de werksfeer in de Rijksgebouwendienst onprettig. Reeds in augustus 1924 had Bremer aan Van Lynden een brief geschreven, waarin hij uitlegde dat het voor hem onmogelijk was goed te werken aan zaken of maatregelen waarvan hij zelf het nut niet inzag. Bremer schreef beslist: 'Goed vertrouwen sluit alle despotisme uit'.(69) Het antwoord van Van Lynden was fel en negatief. Deze vertrouwenscrisis sleepte zich twee jaar voort. Intussen ging Van Lynden door met de bezuinigingen. In het Jaarverslag van de Rijksgebouwendienst over het jaar 1925 vermelde hij trots dat de uitgaven drastisch waren gedaald, van ?17.549.000 (1922) tot ? 4.775.000.(70) De barre werkomstandigheden en slechte onderlinge verhoudingen escaleerden en op 25 januari 1926 schreven Bremer en Bok samen een protestbrief naar de minister van Financi?n, Hendrik Colijn. Vier dagen later vond er een gesprek plaats tussen Bremer, Bok, een hoge functionaris van Financi?n, Verbeek, en Van Lynden. In dit gesprek onderkende Van Lynden de kritiek, maar dat zou geen verandering brengen in de ruimte voor eigen initiatief voor zijn ondergeschikten.(71) Bovendien zou in elk Jaarverslag van de Rijksgebouwendienst Van Lynden zijn staf blijven aansporen tot zuinigheid en klagen over de hoge uitgaven. Er werd ondanks de financi?le moeilijkheden in de jaren twintig veel werk verzet. In 1925 en 1926 werd het schrijnende ruimtegebrek van de universiteiten van Utrecht en Groningen aangepakt, waar met zuinigheid laboratoria en collegeruimtes werden gebouwd of verbouwd. De inbreng van Bremer als architect is bij deze projecten over het algemeen moeilijk te bewijzen, gezien de lage esthetische waarde van de gebouwen. De tekeningen van de projecten vermelden slechts de 'Rijksgebouwendienst' als ontwerper. Het semi-permanente houten gebouw van de kliniek voor Dermatologie te Groningen en de Tandheelkundige kliniek te Utrecht werden echter in de pers ontvangen als knappe architectonische oplossingen van Bremer, waarin zuinigheid, functionaliteit en een zekere esthetiek waren verenigd. Een andere grote verbouwing, waarschijnlijk naar plannen van Bremer zelf, betrof het Tweede Minderbroedersklooster in Maastricht, dat tussen 1926 en 1928 als rechtbank werd ingericht. Wegens bezuinigingen maakte het Rijk gebruik van bestaande monumenten, die werden gerestaureerd en verbouwd zodat zij aan een nieuwe rijksfunctie konden voldoen. Op dezelfde wijze werd tussen 1927 en 1930 het monumentale pand van het Paviljoen Welgelegen te Haarlem ten behoeve van de kantoren van de Provincie Noord-Holland gerestaureerd en uitgebreid. Bremer verzorgde ook een nieuwe aanleg van de tuin en twee banken.(72) Mogelijk was Bremer ook betrokken bij het project voor een groot museum op de Hoge Veluwe, bedoeld als behuizing van de omvangrijke collectie Kr?ller-M?ller. In 1925 kreeg de architect Henry van de Velde opdracht voor het ontwerp van dit gebouw. Het plan werd nooit uitgevoerd. Dat Bremer zich ook werkelijk met dit project bezig hield, is niet bewezen.(73) Het architectonisch meest interessante ontwerp van Bremer uit deze periode is het gebouw van het Post- en Telegraafkantoor te Zaandam, dat in 1930 gereed kwam. Voor dat postkantoor zocht Bremer naar een vormgeving die voortkwam uit de functie van het gebouw en tevens uiting zou geven aan de moderne werkwijze van de Posterijen. Het project had door de drassige grond grote technische moeilijkheden, die briljant werden opgelost. Ook tegenwoordig pronkt het bakstenen gebouw nog trots aan de Dam.(74)
Bremer en de architectenwereld
Bremer bleef tijdens zijn rijksbouwmeesterschap actief in de architectuurwereld. Zo werd hij in januari 1925 lid van de Bond van Nederlandse Architecten (BNA) en was hij voor de MBVA, later BNA, lid van de redactie van het Bouwkundig Weekblad.(75) In 1925 trad Bremer af als lid van de redactie en als lid van de Commissie Voorlichting van de BNA, waarop hij zich opnieuw herkiesbaar stelde voor de redactie. Om onbekende redenen werd echter door het bestuur van het blad besloten dat het aantal leden van de redactie met een lid moest worden gereduceerd, met als gevolg dat zijn medewerking aan het blad werd stopgezet.(76) Dit neemt niet weg dat Bremer als architect volop in de belangstelling stond. Op de Wereldtentoonstelling van 1925 in Parijs werden foto's van Bremers ontwerpen getoond, onder andere van de Gemeentelijke Hogere Burgerschool voor Meisjes in Arnhem.(77) In 1926 deed hij samen met twintig andere Nederlandse architecten mee aan de internationale prijsvraag voor een Volkenbondspaleis te Gen?ve.(78) Van de 377 ingediende ontwerpen werd door de jury, ondanks krachtige protesten uit de architectuurwereld, geen enkele prijswaardig bevonden. Van 21 januari tot februari 1928 werden de Nederlandse ontwerpen gepresenteerd op een tentoonstelling in het Stedelijk Museum te Amsterdam. Bremer deed hieraan mee met tekeningen van zijn ontwerp, die helaas niet bewaard zijn gebleven. Vanwege zijn invloedrijke positie als Rijksbouwmeester en zijn persoonlijk gezag werd Bremer regelmatig gevraagd deel te nemen aan jury's. Hij fungeerde in 1927 als secretaris van de jury voor de prijsvraag voor de watertoren te Wassenaar. Naar alle waarschijnlijkheid was het bij deze gelegenheid dat Bremer voor het eerst de artistieke kwaliteiten kon aanschouwen van zijn latere naaste medewerker rijksambtenaar A.A. (Louis) van Hemert, die aan deze prijsvraag meedeed met zeer fraaie tekeningen van zijn hand.(79) Van Hemert zelf noteerde: '[...] persoonlijk kende hij mij dan ook niet'.(80) In 1929 werd Bremer samen met H.P. Berlage gevraagd om advies te geven aan de Tentoonstellingsraad over het ontwerp van architect J.H.P.G de Rouw (1882-1948) voor het Nederlandse Paviljoen tijdens de Belgische Tentoonstelling in 1930 in Antwerpen. De twee architecten keurden het ontwerp van De Rouw af en adviseerden de Tentoonstellingsraad de opdracht aan H.Th. Wijdeveld te geven. De Tentoonstellingraad volgde hun raad op en Wijdeveld mocht het paviljoen ontwerpen. In hetzelfde jaar maakte Bremer, samen met de architecten H. van der Kloot Meijburg (1875-1961), H.F. Mertens en S. de Clercq (1876-1962), deel uit van een jury voor een prijsvraag die uitgeschreven werd door de directie van de Hollandsche Algemeene Verzekerings Bank (HAV-Bank), voor het ontwerp van een bankgebouw te Schiedam.(82) Ondanks zijn drukke werkzaamheden verloor Bremer het belang van zijn woonplaats niet uit het oog. In februari 1931 schreef hij een brief aan de gemeente Wassenaar om het behoud van de duinen te behartigen en op 28 mei accepteerde hij het lidmaatschap van de in het leven geroepen Schoonheidscommissie waarvan hij, vaak in de rol van voorzitter, tot 1942 trouw lid zou blijven.(83) Hij vervaardigde zelfs het ontwerp voor het Post- en Telegraafkantoor 'De Kievit', dat de villawijk waar hij zelf woonde zou gaan bedienen.
Wassenaar
Wassenaar was een rustig dorp met een mengeling van katholieke, protestante en vrijzinnige inwoners.(84) De villawijk waar de familie Bremer woonde was dun bevolkt met merendeels topfunctionarissen (ruim 21 procent van de inwoners). De politieke tendens van de bewoners in zijn wijk was links-liberaal. Tijdens de uitslagen van de Provinciale Statenverkiezingen van 1931 gingen de meeste stemmen uit deze wijk naar de Vrijheidsbond (55,6%).(85) Bremers dochter, zelf fervent communist, getuigde dat haar moeder, anders dan haar vrijdenkende vader, communist was geworden.(86) Bremer en zijn vrouw hadden in het bevolkingsregister van Wassenaar hun kerkelijke gezindte laten uitschrijven en hun dochters waren niet gedoopt.(87) Toch deelde hij de politieke idee?n van zijn vrouw niet. Bremers dochter vertelde ook dat de familie in Wassenaar in contact kwam met de daar wonende kunstenaars, zoals Henry van de Velde en P.N. van Eyck. Thuis werd met Bremers medewerker Frants Edvard R?ntgen en zijn broers, allen zonen van de componist Julius R?ntgen (1855-1932), gemusiceerd.(88) De kunstenaars die bij hen thuis kwamen, hadden uitgesproken socialistische of communistische idee?n en Bremer zou tot zijn dood met de beeldhouwer H.L. (Hildo) Krop (1884-1970) bevriend blijven.(89) Bremer was in de jaren dertig op de top van zijn carri?re en in 1930 werd hij onderscheiden als ridder in de Nederlandse Leeuw.(90) Zijn priv?-leven echter verliep minder voorspoedig. In 1937 overleed zijn moeder en twee jaar later verliet hun oudste dochter Geertruida - waarschijnlijk met ruzie - het huis om naar Zwitserland te emigreren en daar te trouwen.(91) Volgens Annie Bremer had haar vader later, wegens haar uitgesproken politieke idee?n, nauwelijks meer contact met zijn vrouw.(92)
De beste jaren
In de jaren dertig begonnen voor Bremer de werkzaamheden aan de Landbouwhogeschool te Wageningen, die tot 1940 zouden doorgaan. Hoewel - zoals voor de universiteitsgebouwen van Utrecht en Groningen - de directe architectonische inbreng van Bremer in de gebouwen moeilijk is te bewijzen, kunnen de algemene opbouw van de laboratoria en in het bijzonder het ontwerp van het Botanische Laboratorium op stilistische basis aan hem worden toegeschreven. In 1931 werden verder verschillende rijksprojecten afgerond en tussen 1930 en 1932 werd het imposante postkantoor in Breda gebouwd. In maart 1930 maakte Bremer als lid deel uit van een commissie van deskundigen, samen met onder anderen J.Th.J. Cuypers (1861-1949) en A.R. Hulshoff, die was ingesteld door de gemeente Leiden om advies te geven over een nieuw ontwerp van W.M. Dudok voor het door brand verwoeste stadhuis. Dudok ha
|