|
Essay:
|
C.J. Blaauw (1885-1947) Architect C.J. Blaauw maakte in zijn jonge jaren snel naam en zijn vroege werk is nog steeds algemeen bekend en gewaardeerd. Het werk uit zijn beginjaren wordt gerekend tot de Amsterdamse School, die in het tweede en derde decennium van deze eeuw furore maakte. Over zi ... meer
C.J. Blaauw (1885-1947)
Architect C.J. Blaauw maakte in zijn jonge jaren snel naam en zijn vroege werk is nog steeds algemeen bekend en gewaardeerd. Het werk uit zijn beginjaren wordt gerekend tot de Amsterdamse School, die in het tweede en derde decennium van deze eeuw furore maakte. Over zijn latere werk uit de dertiger jaren is veel minder bekend; dit kenmerkt zich door een sobere ontwerpstijl die minder tot de verbeelding spreekt dan de uitgesproken expressieve en decoratieve Amsterdamse School-architectuur. Typerend is dat Blaauw juist in de jaren dertig grote representatieve opdrachten kreeg. Hij ontwierp verschillende gemeentehuizen, grote woningbouwprojecten zoals aan het Minervaplein in Amsterdam en kantoorgebouwen als het gebouw van de Raad van Arbeid, eveneens te Amsterdam.
Cornelis Jouke Blaauw werd op 12 oktober 1885 te Amsterdam geboren als zoon van Engele Ebes Blaauw en Elisabeth Woudstra, beide afkomstig uit Friesland.1 Zijn vader overleed jong, waarna zijn moeder besloot pension te houden om haar vier kinderen een behoorlijke opvoeding te kunnen geven. Blaauw doorliep de 3-jarige HBS te Amsterdam en een avondtekenschool (mogelijk de Industrieschool van de Maatschappij voor den Werkenden Stand). Een architectenopleiding volgde hij niet; hij leerde het vak in de praktijk. Daarbij zal hij zeker hinder hebben ondervonden van het feit dat hij als gevolg van een oogafwijking geen diepte kon zien. Met ??n van zijn ogen waren slechts licht-donker-indrukken mogelijk. Dit probleem weerhield hem er echter niet van zich tot een succesvol architect te ontwikkelen. Zoals collega Zwiers bij Blaauw's overlijden schreef behoorde hij tot 'een merkwaardige generatie van self-made men die alle voorkomende werkzaamheden door persoonlijke ervaring leerde kennen, van die van aankomend tekenaar af tot en met die van geroutineerde chef-de-bureau, van jonge hulpopzichter tot en met de verantwoordelijke positie van de met de leiding van de uitvoering belaste vakman'.2 Tijdens zijn leertijd werkte Blaauw op de bureaus van Berlage en De Bazel, waar hij in contact kwam met P. Vorkink en J.F. Staal.
In 1908-1911 was hij in dienst bij het bureau van H.A.J. Baanders, o.a. als opzichter bij de bouw van landhuis Kataja in Bentveld voor de heer C.H. Guepin. Voor papiergroothandel Buhrmann ontwierp hij in in 1911, samen met architect J.W.F. Hartkamp een papierloods met kantoren aan de Keizersgracht te Amsterdam. (Informatie uit archief Baanders in Gemeentearchief Amsterdam. Volgens Fanelli ontwerp van Baanders, gedateerd in 1917 Zie blz 231)
Van 1912-1915 was hij medewerker op het bureau van Jacot en Zinsmeister te Amsterdam, dat gespecialiseerd was in grote projecten zoals het Hirschgebouw en De Bijenkorf. Blaauw was al vanaf 1905 lid van het Genootschap Architectura et Amicitia en leerde daar veel vooraanstaande architecten uit die tijd kennen. Opmerkelijk is dat Blaauw op 30-jarige leeftijd en zonder noemenswaardige bouwwerken op zijn naam als leraar bouwkunst benoemd werd op de School voor Bouwkunde, Versierende Kunsten en Ambachten te Haarlem. Op deze oudste kunstnijverheidsopleiding in Nederland was onder leiding van Walenkamp het 'bouwkundig tekenen' uitgegroeid tot een zelfstandige cursus voor bouwkundigen. Samen met M.C. Verkruijsen en P. Vorkink ontwikkelde Blaauw in de loop der jaren een plan voor inhoudelijke vernieuwing van het kunstonderwijs.3
In 1916 trouwde Blaauw met Anna Frederike Berkhout met wie hij drie kinderen kreeg; een dochter ('17) en twee zonen ('18 en '28). De eerste huwelijksjaren waren voor Blaauw als architect z??r belangrijk. Het waren jaren waarin de architectuurcultuur een stormachtige ontwikkeling doormaakte; Blaauw was een actief deelnemer aan de architectuurdiscussie. Zijn lidmaatschap van A. et A. was daarbij van groot belang. Het bracht hem in contact met veel invloedrijke collega-architecten, zoals Berlage, De Bazel, Kromhout, Lauweriks, De Klerk, Kramer, Wijdeveld, Vorkink, Staal, Boeyinga en Gratama. Er heerste een sfeer van verandering binnen A. et A. In 1917 had er een bestuurswisseling plaats waarbij de jonge garde het stuur overnam. In dit nieuwe bestuur hadden naast Blaauw ook Gratama, Van der Mey, Staal, Vorkink en De Klerk zitting. Blaauw werd ook redacteur van Architectura en een jaar later kwam hij in de redactie van het nieuw opgerichte tijdschrift Wendingen. Zwiers: 'Blaauw kon de dingen scherp en helder stellen en met slagvaardigheid en taaie volharding vasthouden aan wat hij goed en nodig achtte'.4 Deze jonge garde van A. et A. architecten stond al gauw bekend als de Amsterdamse School. Vooral de vrije expressionistische vormentaal van het Scheepvaarthuis van Van der Meij en het werk van de meest invloedrijke van de Amsterdamse School-architecten, M. De Klerk, trokken de aandacht. Echt naam maakte Blaauw met het gemeenschappelijke architectuurproject Park Meerwijk te Bergen uit 1917. Vijf architecten, G.F. la Croix, P.L. Kramer, M. Kropholler en Blaauw, kregen de opdracht van tegelhandelaar Heystee om een 16-tal landhuizen te bouwen. Het uitgevoerde bebouwingsplan voorzag in twee groepen van drie aaneen gebouwde huizen, twee van twee-onder-een-kap en zes vrijstaande huizen, waarvan Blaauw er drie bouwde. Wijdeveld sprak zeer lovend over het bouwexperiment in een speciaal daar aan gewijd Wendingennummer. Hij noemde de architecten een 'ronddolende bende vol jong enthousiasme die openlijk het moeizaam opgebouwde systeem van het architecturaal ontwerpen vernietigen, los zijn de boeien die den architect gekneld hielden in den haakschen lijn, in de hoeken van 30 en 60 graden'.5 Over de drie villa's van Blaauw, Huize Meerhoek, Huize Boschkant en Huize Beek en Bosch schreef hij dat ze deugdelijk van plan, indeling en opzet waren, maar qua vernieuwing minder ver gingen dan het werk van Staal. Hij prees echter de organische opzet van Blaauws villa's. 'Huize Beek en Bosch groeit door de prachtige overbouw op de verdieping als een paddestoel uit den grond op; en evenals deze, door de natuur in volmaaktheid geschapen vorm, draagt dit huis den stempel eener werkelijke perfectie.' Kenmerkend is de combinatie van baksteen, hout en rieten daken en prachtige details in hout en metselwerk. Opvallend zijn de overkragingen van de verdieping, waarbij later is opgemerkt dat deze voortkwamen uit interesse voor volkskunst. Op een tekening van J.A. Snellebrand, die in zijn beginjaren ook in de stijl van de Amsterdamse School werkte, zien we Scandinavische bergschuren, waarbij de verdieping ook breder is dan de begane grond.6 Architect Sevenhuysen stak in het Bouwkundig Weekblad de loftrompet over Blaauw. Hij was getroffen door het werk van Blaauw en dat van Kramer vanwege de grote vrijheid in vormentaal. 'Hoe grillig bedacht, wat al innerlijke beweeglijkheid in kalm bezonken rust en met betrekking tot de harmonie tusschen golvende detaillijnen streng betoonde hoofdvormen laat zich hier zeggen, dat de onstuimigheid van den fantast zacht is gevangen in de banden, hem door den stroeven denker aangelegd'.7 Opmerkelijk is dat het lijkt alsof deze drie huizen van Blaauw uit het niets komen vallen, als een ijzersterk begin van een veelbelovend oeuvre. Het doet daarom vermoeden dat er een stukje ontbreekt, maar dat is niet eenvoudig te achterhalen. De enige uit de bronnen bekende werken van eerdere datum zijn een prijsvraagontwerp voor een deur uit 1911 en een uitgevoerd interieurontwerp voor een jaarbeursstand van 1917. Een verklaring kan worden gevonden in het feit dat Blaauw zijn creatieve ontwikkeling in de anonimiteit doormaakte als medewerker van een groot bureau en de ontwerpen uit deze periode niet op zijn naam staan. Dit vermoeden wordt versterkt door een artikel van Blaauw in Architectura van over dit probleem, getiteld 'Bouwkunst-Auteursrecht Geestelijk Eigendom'.8
Waarschijnlijk mede dankzij het succes van Park Meerwijk werd Blaauw in 1919 door ir.Teeuwisse, de toenmalige Rijksbouwmeester, gevraagd voor de bouw van een aantal laboratoria voor de Landbouw Hogeschool te Wageningen. In de periode 1919-1924 ontwierp hij een vijftal gebouwen voor 'Landsgebouwen', vier in Wageningen en een in Lisse.9 Deze opdrachten verliepen niet geheel zonder problemen, er ontstond veel vertraging door meningsverschillen over de eisen waaraan de gebouwen moesten voldoen. Toch is het resultaat opmerkelijk te noemen. Vooral de twee bekendste gebouwen, de laboratoria voor Plantenfysiologie en Microbiologie, zijn prachtige voorbeelden van decoratieve en monumentale Amsterdamse School stijl. Door de langgerekte hoofdvorm met een opvallende dakpartij met lantaarn heeft het laboratorium voor Plantenfysiologie zijn bijnaam 'de duikboot' of 'het schip' gekregen, beeldspraak die we ook bij de villa's in Park Meerwijk tegenkomen. In stijl en detaillering zijn dan ook veel overeenkomsten aan te wijzen. Voor de plattegrond en de organisatie van de verschillende vertrekken heeft Blaauw waarschijnlijk het 'Handbuch der Architectur' van Dr. Schmitt gebruikt.10 In een speciaal hoofdstuk gewijd aan botanische instituten worden hierin eisen geformuleerd die min of meer terug te vinden zijn in Blaauw's ontwerp: het souterrain met de koelinstallaties en geklimatiseerde ruimten, de begane grond met de collegezalen en de bovenverdieping met de herbaria en de hoogleraarswoning. Opvallend waren de aangebouwde kassen die helaas enkele jaren geleden wegens hun slechte staat afgebroken zijn. Blaauw had ze, waarschijnlijk om esthetische redenen, toch aangebouwd hoewel dit in het 'Handbuch' werd afgeraden. Typerend voor de opvattingen van architect Blaauw is de samenwerking met beeldhouwer Polet bij verschillende projecten. Polet, een collega-docent van de school voor Bouwkunst, Versierende Kunsten en Ambachten te Haarlem vervaardigde de zandstenen masker-ornamenten voor twee laboratoria. Blaauw zelf tekende voor de rijke detaillering zowel aan het exterieur als het interieur: de ingangspartij, het trappenhuis, het interieur van de bibliotheek met tafel, stoelen en kasten. In de drie latere projecten voor de Landbouw Hogeschool, de laboratoria voor Tuinbouwplantenteelt, het Instituut voor Plantenveredeling en het laboratorium voor Bloembollenonderzoek in Lisse, is een versobering in stijl zichtbaar. Dit past in de stijlontwikkeling van architect Blaauw, maar er zijn ook andere redenen aan te geven. De curatoren van Wageningen maakten bezwaar tegen de eerdere bouwwerken van Blaauw, waarin in hun ogen 'eenvoud en doelmatigheid niet verenigd waren. De gebouwen ademen niet de eenvoud die een onderwijsgebouw behoort te kenmerken en door de toestand van de Rijksschatkist gevorderd wordt'.11 De later gebouwen doen denken aan uitgeklede versies van de eerdere laboratoria. Veelal hebben ze dezelfde opbouw en hoofdvorm,u waarbij het dak bepalend is, maar zonder het monumentale en decoratieve effect dat de eerdere ontwerpen zo waardevol maakte.
In 1921 ontwierp Blaauw honderd woningen voor de woningbouwvereniging `Onze Woning' aan de Olympiaweg in Amsterdam, onderdeel van Plan-Zuid. Zijn ontwerp voor een bouwblok van drie woonlagen plus zolder onder een plat dak heeft een duidelijke Amsterdamse School signatuur. De gevelgeleding heeft kenmerkende details zoals de uitspringende verticale elementen, als accent van de entree en het trappenhuis, en de geprononceerde balkons van de eerste verdieping die door uitkragende balken ondersteund worden. Het uiteindelijk gerealiseerde woonblok wijkt sterk af van het eerste ontwerp. Voor een goed verloop van het project werd architect Gratama aangesteld als supervisor om 'het silhouet van de straat en pleinwanden te bepalen en de aansluiting der architectuur van de verschillende blokken te beheersen'.12 Zo werd getracht een harmonieus geheel te verkrijgen. Het project, waaraan ook negen andere architecten meewerkten, zou pas in 1930 in gewijzigde vorm uitgevoerd worden. Alle woningen kregen dezelfde standaard plattegrond; alleen de gevels zijn door de architecten ontworpen. Deze werkwijze, later ook wel 'schortjes-architectuur' genoemd, is vaak onderwerp van discussie geweest.13 De Amsterdamse School architecten waren veelal ook ongelukkig met deze gang van zaken. Ze verantwoordden zich door te stellen: wat is beter, slechte huizen met slechte gevels of slechte huizen met goede gevels?14 Deze werkwijze werd in de hand gewerkt door de machtspositie van de schoonheidscommissie, die een duidelijke voorkeur had voor de Amsterdamse School, maar die alleen zeggenschap had over het exterieur.15 Ook Blaauw mengde zich verschillende keren in de discussie, waarbij hij zich tegen de laatdunkende kritiek verweerde en voor een goed stadsbeeld pleitte.16 Twee andere volkswoningbouwprojecten van Blaauw uit eind jaren twintig laten een versobering in zijn stijl zien. In West verrezen in 1927 aan de Orteliusstraat sobere robuuste bouwblokken in zware hoekige vormen. De accentuering door middel van variatie in massa's en raamritme maakt de hoekblokken krachtig. De strakkere gevelwand kreeg een accent door hert uit de gevel springende balkon-erker-motief. Collega Boterenbrood omschreef het zo: 'Blaauw maakte een gevoelig fond van gelijk verdeelde ramen, waar de op zich zelf wat harde voorsprongen mooi tegen contrasteren. Met eenvoudige middelen is hier veel bereikt.'17 Er zijn duidelijke overeenkomsten aan te wijzen tussen deze gevel en die aan de Olympiaweg. Behalve eenzelfde versobering in stijl ziet men daar ook het balkon-erker-motief, evenals identieke hijsbalken met vooruitgeschoven raampjes op de zolderverdieping.
Een jaar later werd in Amsterdam-Zuid aan de Jekerstraat een bouwblok gerealiseerd in samenwerking met architect J.F. Repko (1883-1955), die tevens opdrachtgever was. Een eerder plan van Repko voor deze locatie was door de commissie Zuid afgekeurd, zodat hij zich uiteindelijk tot Blaauw wendde, die het ontwerp door de commissie loodste. De bijna vlakke gevel met enkele accenten in de vorm van erkers en twee verhoogde puntgevels doet in niets herinneren aan het vroegere uitbundige werk van Blaauw. De versobering van de architectuur is deels het gevolg van de verslechterde economische situatie, die de overvloed aan duur materiaal en handwerk niet meer toelaat. Voor een ander deel is de stijlverandering het gevolg van de persoonlijke ontwikkeling van de architect, waarbij het omslagpunt rond 1925 te leggen is. In dat jaar ontwierp Blaauw een tuinhuisje waarin hij nog eenmaal teruggreep op de vormentaal van de Amsterdamse School-stijl. Nog in datzelfde jaar toonde Blaauw met zijn prijsvraaginzending voor een nieuw Operagebouw dat hij stilistisch gezien een nieuwe weg was ingeslagen. Het plan dat Blaauw onder motto X instuurde, kenmerkt zich door een symmetrische opzet t.o.v. de hoofdas van het Museumplein. Het ontwerp werd door de jury omschreven als een goed doorwerkt plan.18 Toch werd de streng doorgevoerde symmetrie ervan bekritiseerd, deze zou van een behoudende benadering van de bouwopgave getuigen. Een criticus oordeelde: 'Een serieus doorwerkt plan in strenge evenwichtigheid maar de feestelijkheid ontbreekt een beetje. Het is allemaal erg degelijk maar een beetje suf'.19 De gevelschema's tonen een massieve stapeling van bouwvolumes, stoer en monumentaal, maar te complex om een herkenbaar silhouet te vormen. Duidelijk is dat Blaauw de overdadige vormentaal van de Amsterdamse School verruild had voor een andere koers waarbij eenvoud, strengheid en een haast classicistische opzet kenmerkend zijn.
Veranderingen zijn er ook in zijn werksituatie. In 1924 wordt hij als gevolg van een reorganisatie bij 'Landsgebouwen' eervol ontslagen. In 1925 werd Blaauw directeur van de Haarlemse school, samen met Vorkink en Verkruysen, maar de school werd een jaar later wegens bezuinigingen gesloten. In 1926 begon Blaauw een eigen bureau in Amsterdam. Opvallend is dat Blaauw vooral ge?nteresseerd lijkt in grote projecten. Zijn zoon verklaarde ooit dat hij het moeilijk vond met een priv?-opdrachtgever te werken.20 In de priv?sfeer bouwde Blaauw slechts een woonhuis (voor zijn broer) en een tuinhuisje voor Mevrouw Hondius-Crone (bestuurslid van de school voor Bouwkunst). Daarnaast bouwde hij voor zichzelf twee huizen in Haarlem. Over de relatie architect-opdrachtgever schreef Blaauw verschillende keren.
Vanaf 1925 deed Blaauw regelmatig mee met grote prijsvragen, veelal op uitnodiging, maar ook op eigen initiatief, zoals zijn oplossing voor het Rokin-vraagstuk. Een groot succes in zijn carri?re vormde de bekroning van zijn prijsvraagontwerp voor het Minervaplein uit 1929. Deze groots opgezette prijsvraag was uitgeschreven door de Commissie Zuid voor de bebouwing van het gebied August Alleb?plein en het Minervaplein. Het winnende ontwerp van J. Boterenbrood voor het Alleb?plein is wegens de economische crisis en de oorlogsjaren nooit uitgevoerd. Blaauw's ontwerp voor het Minervaplein is wel gebouwd, deels in de jaren dertig en deels na zijn dood in de jaren vijftig. Zijn plan had volgens het juryrapport 'een wijdse monumentale allure'.21 Het commentaar van de bekende criticus ir. J.G.Wattjes is een goede graadmeter voor de algemene waardering voor Blaauw's stijl. 'Terwijl het plan van Amsterdam-Zuid rijk is aan romantische gedeelten en hier en daar zeer duidelijk sporen van de invloed van Camillo Sitte's aesthetische opvatting van de stedebouw vertoont, zoo is toch ook op verschillende plaatsen een meer grootsche en monumentaal werkende opzet aanwezig. Blaauw heeft op dat monumentale in de plan-aanleg met zijn architectuur op zeer gelukkige wijze aangesloten, daarbij toch in zijn detaillering volledig verwant blijvend met het algemeen karakter van de architectuur van het nieuwe Amsterdam'.22 In de toelichting op zijn ontwerp verantwoordt Blaauw zich voor zijn keuze om de pleinsituatie iets te wijzigen. 'Door het verschuiven van bouwblokken in Zuidelijke richting wordt de Stadionweg de tweede as van het kruisingsplein. Ontwerper ziet hierin een meer zuivere en meer monumentale oplossing van dit kruisingsplein dan de gegevene'.23 De bebouwing benadrukt de strenge symmetrie van het plein. Vier middenblokken aan weerszijden van de Minervalaan zijn eenvoudige ononderbroken eenheden. De vier hoekblokken langs de Stadionweg zijn uitgangspunten van de pleincompositie geworden. Het ontwerp getuigd van Blaauw's voorliefde voor een strenge, haast classicistische compositie. De gevels worden bepaald door een gelijkmatig vensterritme en een geprononceerde kroonlijst. Blaauw's ontwerp voor het Alleb?plein vond de Commissie Zuid minder geslaagd. 24 Het was in dezelfde stijl ontworpen, maar veel pompeuzer van opzet.
In de daaropvolgende jaren was Blaauw actief als ontwerper van gemeentehuizen. Hij werd in 1930 mede uitgenodigd een schetsplan te maken voor een nieuw gemeentehuis in Bloemendaal.25 Van de zeven architecten die voor de eerste ronde plannen maakten, mochten uiteindelijk A. van der Steur en Blaauw een tweede ontwerp maken, waarbij Blaauw als winnaar uit de bus kwam. Zijn eerste ontwerp omvat behalve een raadhuis ook een politiebureau en twee scholen. Het ensemble van bouwvolumes ligt trapsgewijs om het centrale verkeersplein. Kenmerkend zijn de schuine daken die de afzonderlijke bouwvolumes accentueren, de verschillende raamritmes en de toren. Het tweede ontwerp is veel uitgebreider, ook vanwege nieuwe programma-eisen, en laat een aaneenschakeling van bebouwing rondom het plein zien. Kleine verschillen in vormgeving vallen op zoals de meer robuuste toren en klassieke details zoals vaasornamenten aan de gevel. Opvallend is dat de jury het ontwerp van Blaauw prefereerde boven meer functionalistische ontwerpen van A. Boeken en Th. Wijdeveld. Uiteindelijk echter kon het plan om financi?le reden niet worden uitgevoerd.26 Meer succes had Blaauw met zijn prijsvraagontwerp voor het Leidse Raadhuis. Het oude raadhuis was grotendeels door brand verwoest. In 1932 werd een prijsvraag uitgeschreven voor nieuwbouw met behoud van de oude gevel. Er werden vijf architecten gevraagd een ontwerp te maken. Behalve Blaauw waren dat B. Buurman, A.J. Kropholler, J.A. van der Laan en H.F. Mertens. Na een lange aanloopfase werd Blaauw in 1934 als architect aangewezen om zijn prijsvraagontwerp verder uit te werken en het definitieve ontwerp uit te voeren. Blaauw had zich eerst veel kritiek op de hals gehaald door af te wijken van het programma en drie percelen buiten het beschikbare terrein in zijn ontwerp te betrekken. Uiteindelijk werd ontheffing van het betrokken raadsbesluit verleend omdat de jury van mening was dat juist daarom zijn voorstel tot de beste stedebouwkundige inpassing zou leiden. 'Het ontwerp Blaauw heeft ?n als monumentale oplossing ?n als indeling uitstekende qualiteiten; de vondst van het open plein aan de Vischmarkt mag bijzonder gelukkig heten en de uitstekende wijze waarop niet slechts de oude gevel, maar het geheele Breestraatgebouw tot zijn recht wordt gebracht, is zeer prijzenswaardig'.27 In het plan is gestreefd naar integratie van oud en nieuw, hetgeen leidde tot een traditionele architectuur met Delftse School-kenmerken. De heldere ruimtelijke opzet is zichtbaar gemaakt aan de buitenkant: eenvoudige bouwvolumes met kloeke zadeldaken, strenge gevels met grote omlijste vensters en traditionele toren, zij het op basis van een betonskelet. Het gerealiseerde project kreeg een lovende pers en wordt zelfs als zijn voornaamste werk beschouwd.28
Na het ontwerp voor Leiden volgden er meer ontwerpen voor gemeentehuizen, in de periode 1937-1940 vier in totaal, waarvan er twee werden uitgevoerd, in Hoogeveen en in Alphen aan de Rijn. De niet gerealiseerde ontwerpen voor Vlaardingen en Ede zijn beide gemaakt als inzending bij een meervoudige opdracht. In 1939 ontwierp Blaauw een uitbreidingsplan voor het stadhuis te Vlaardingen, maar de jury koos voor het plan van architect Van der Kloot-Meijburg. In 1940 kreeg Blaauw, net als B.T. Boeyinga en J. Gratama, de opdracht een ontwerp voor een nieuw stadhuis te Ede te maken. Blaauw's inzending heeft een eigenaardige wigvormige plattegrond. De architectuur kenmerkt zich door een historiserende stijl met steile zadeldaken, getoogde vensters en een klokketoren met omloop. De hoofdingang met hal en trappenhuis in de punt van de wig vormen een monumentaal geheel. Het plan van Boeyinga kreeg echter de voorkeur omdat daarin de mooie bomen op het voorterrein gespaard bleven.29 Van het gemeentehuis te Hoogeveen is niet bekend hoe Blaauw de opdracht kreeg, maar aangenomen mag worden dat hij na zijn succes in Leiden een reputatie als stadhuisbouwer had. Het plan is ontworpen in de periode 1937-1939 en er zijn in het Nederlands Architectuurinstituut tekeningen van bewaard gebleven. Het langgerekte gebouw ligt met zijn brede voorgevel in de zichtlijn van een grote straat. De toren in het midden accentueert de ingang en scheidt de ??n verdieping hogere linkervleugel van de rechterkant. De bijbehorende conci?rge-woning ligt los van het hoofdgebouw aan de rand van het kavel. Het raadhuis moest dertien ambtenaren huisvesten en de totale bouw- en installatiekosten bedroegen honderddertienduizend gulden.30 Zwiers constateerde dat 'duidelijk de invloed van den Leidsche bouw merkbaar is'.31
De door samenvoeging ontstane gemeente Alphen aan de Rijn had behoefte aan een nieuw raadhuis en met steun van het Werkfonds werden enige architecten uitgenodigd om een ontwerp te maken. De keus viel wederom op architect Blaauw en in Juli 1937 werd begonnen met de bouw. Als locatie voor het geheel vrijstaande gebouw werd een plek aan de rand van de gemeente gekozen, als toekomstig middelpunt van een nieuw aan te leggen stadskwartier. Het streng symmetrische gebouw heeft een langgerekte hoofdvorm en twee zijvleugels. De ingangspartij, onderdeel van het verhoogde middenstuk, verdeelt het gebouw in twee helften; een administratief en een representatief gedeelte. Dit gebouw is het meest classicistische werk van Blaauw en toont sterke verwantschap met oud-Hollandse architectuur, het meest nog met de 18-eeuwse patrici?rshuizen. Een criticus vroeg zich af: 'Waarom nu juist in dezen geest gewerkt is. in dat geval toch was geen historisch stadsbeeld aanwezig, zoals dit bij den herbouw van het stadhuis te Leiden wellicht de directe aanleiding voor een architectuur in traditionalistische zin zou kunnen zijn geweest. Eerder moet worden verondersteld, dat de architect zich de assimilatie van het begrip 'raadhuis' met zeer bepaalde historische tradities sterk bewust is, en hieruit misschien zijn voorliefde voor traditionele vormgeving in den stadhuisbouw zou zijn te verklaren'.32 Hiermee werd het verband gelegd met de Delftse School, een architectuurstroming waarbij de historische bouwstijlen als inspiratie dienden. De geschiedenis zou de architectonische en stedenbouwkundige modellen bieden die, aangepast aan de eigen tijd, de omgeving van het volk moesten ordenen en vormgeven.33 Er was een duidelijke voorkeur voor eenvoudige, waardige en 'Hollandse' architectuur, en in dit beeld past het late werk van Blaauw.
Zijn laatste grote werk is het gebouw van de Raad van Arbeid in Amsterdam. De opdracht verkreeg Blaauw in 1940; het is na zijn dood in 1947 voltooid door ir. H.T. Zwiers. Dit kolossale gebouw aan de Wibautstraat toont streng en monumentaal door het dominante vensterritme van de gevels. Het hoge kantoorgebouw heeft, onzichtbaar vanaf de straat, een groot dakterras voor het kantoorpersoneel. Zwiers, de architect die het voltooide, vond het gebouw haast ascetisch van karakter. Volgens hem was dit een reactie op wat Blaauw in de drie raadhuizen nog te veel achtte.34 In de schets die Zwiers maakt van het leven van architect Blaauw trachtte hij die ontwikkeling te verklaren. 'En zoo vinden wij Blaauw omstreeks vijftien jaar geleden terug in een zoeken naar orde en strakheid, dat voor velen een koersverandering lijkt, maar dat in wezen niet anders is dan een teruggrijpen op zichzelf en een zich beperken tot de gekende en bekende waarden'.35 Zwiers refereerde ook aan de beginperiode, toen Blaauw in de Amsterdamse School stijl werkte en vooraanstaand lid was van A. et A. 'Hij is daardoor voor een groot deel van de architectenwereld en natuurlijk ook voor de buitenwereld tot een exponent geworden van een beweging, van de Amsterdamse School, wat hij in werkelijkheid en in zijn hart niet was. Zoo moeten wij m.i. zijn plaats in de architectenwereld ook niet zien als de figuur, die naast en met den door hem zeer bewonderden De Klerk en andere typische voormannen van de 'Amsterdamse School' daarvan een duidelijk uitgesproken vertegenwoordiger was, maar eerder als de man, die w?l deze bewogenheid meemaakte, en die daarom bereid was te trachten de golvende deining in rustiger banen te leiden, maar die zelf, in het diepst van zijn hart, de verworvenheden van een leertijd bij den meester in orde en zelftucht De Bazel, niet kon loslaten.' Velen zagen Blaauw als een Amsterdamse School architect, die later minder ge?nspireerd bouwde. Zwiers draaide die zienswijze om; volgens hem was het Leidse Stadhuis zijn belangrijkste werk is en vormde de vroege periode een aanloopfase, waarna Blaauw in de jaren dertig pas zijn stijl ten volle zou ontwikkelen. Een historisch oordeel zegt soms meer over de tijd en de normen waarbinnen dit tot stand kwam, dan over het beschrevene. Blaauw maakte als architect een heel persoonlijke ontwikkeling door en volgde zijn eigen weg tussen de architectuurstromingen van zijn tijd. Dat maakt hem moeilijk te plaatsen en is er de oorzaak van dat zijn oeuvre vaak slechts op onderdelen aandacht kreeg.
Noten
1 Boucher-Verloop, N.H.; "De laboratoria door C.J. Blaauw, architect". doc.scriptie 1990. Bijna alle priv?-gegevens over Blaauw heb ik uit haar scriptie; zij had een lang gesprek met zijn zoon K.J. Blaauw. 2 Zwiers, H.T.; "De architectenwereld verliest een veelzijdig man." Haarlems Dagblad 30 jan. 1947. 3 Arch.1917 no 16, p.117-122 en Arch.1917 no 30, p.235-237 4 op cit 2 5 Wijdeveld, Th.; "Park Meerwijk" in Wendingen 1918 no 8, p.5 6 Amsterdamse School. Serie Nederlandse Architectuur, tentoonstellingscatalogus, Amsterdam 1975, p.46 7 Sevenhuysen; " 't Park `Meerwijk' te Bergen(NH)" in BW 1918 no 36, p.215-217 8 Blaauw, C.J.; "Bouwkunst - Auteursrecht - Geestelijk Eigendom" in Arch. 1914, p.14-16 9 op cit 1; veel nieuwe informatie over de laboratoria komt uit deze doctoraalscriptie. 10 op cit 1, p.26 11 op cit 1 . p.49 12 Gratama, J.; "Complex arbeiderswoningen bij het Stadion te Amsterdam." in BW 1921, p.300 13 Kohlenbach, B.; "Architect P.L. Kramer", Naarden 1994 en Boeken, A.; BW 1919 p.45 ev 14 Jong, P.de: BW 1923, p.62 15 "Berlage en Amsterdam Zuid", tent.cat. Amsterdam 1992, p.32 16 Blaauw, C.J.; BWA 1927, p.229 ev, p.250 ev 17 Boterenbrood, J.; Arch. 1926, p.527 18 BW 1926 p.63 19 Steur, A.v.d.; Bouwen 1926, p.188 20 op cit p.11 21 op cit 15 p.41 22 Wattjes, J.G.; Het Bouwbedrijf 1931 no 29, p.387 23 Blaauw, C.J.; BWA 1929, p.354 ev 24 op cit 15 p.41 25 BWA 1932 p.103 ev. 26 ibidem p.105 27 BWA 1933 p.280 28 op cit 2 29 BWA 1944 no 29 p.154 30 "Leidraad inzake raadhuisbouw", uitgave van VNG Den Haag 1961, p.77 31 op cit 2. 32 Jansen, D.; "Het raadhuis te Alphen aan de Rijn" in BWA 1940, p.30 33 Bosma, K.; "Architectuur en stedebouw in oorlogstijd", Rotterdam 1988, p.24 34 op cit 2 35 op cit 2
|