|
Essay:
|
G.J. Rutgers (1877-1962) Gerrit Jan Rutgers werd op 16 november 1877 geboren in Ellecom (gemeente Rheden), als zoon van aannnemer-timmerman Gerrit Jan Rutgers en Johanna Frederika Sobina Delfos. Bij zijn vader in de dorpstimmer- en aannemerszaak werd zijn interesse in de bouwkunst gewekt. ... meer
G.J. Rutgers (1877-1962)
Gerrit Jan Rutgers werd op 16 november 1877 geboren in Ellecom (gemeente Rheden), als zoon van aannnemer-timmerman Gerrit Jan Rutgers en Johanna Frederika Sobina Delfos. Bij zijn vader in de dorpstimmer- en aannemerszaak werd zijn interesse in de bouwkunst gewekt. Hij werkte al op jonge leeftijd mee, o.a. aan enkele restauraties van kastelen in de regio.(1) Rutgers' drang naar bouwen en kennis was echter zo groot dat hij weg wilde uit Ellecom. Hij verhuisde naar Amsterdam, waar hij op 6 mei 1909 trouwde met Johanna Isabella Aletta van Schaik (geb. 5-3-1881). Zij kregen twee dochters. De oudste, Johanna Isabella Aletta, werd geboren op 3 september 1913 en zij trouwde met werktuigkundig ingenieur J.W. Los. De jongste dochter heette Silvia en werd geboren op 30 september 1917. Rutgers verhuisde nog vele malen binnen Amsterdam, de stad waar hij de rest van zijn leven zou doorbrengen.(2) Rutgers was de meest productieve architect van de Amsterdamse School.(3) In Amsterdam bouwde hij ? 7000 woningen, meestal voor particuliere opdrachtgevers of ondernemers. Het oeuvre van Rutgers bestaat dan ook voornamelijk uit woningbouwcomplexen, in de Amsterdamse Schoolstijl. Verder heeft Rutgers vooral naam gemaakt met zijn vele ontwerpen voor villa's. Daarnaast ontwierp hij enkele herenhuizen, hotels, kerken en interieurs. Het vroege werk van G.J. Rutgers was nog in de geest van Berlage, maar rond 1920, hij was toen al de 40 gepasseerd, stapte hij volledig over op de stijl van de Amsterdamse School. Met het einde van de Amsterdamse School leek er ook een einde te komen aan de creativiteit van Rutgers. Hoewel hij tot op hoge leeftijd bleef produceren misten zijn latere ontwerpen elke kracht. Rutgers overleed op 24 januari 1962 in Amsterdam, hij was toen 84 jaar oud.(4)
Opleiding en werkkringen
Rutgers is een architect uit de praktijk. Hij werkte zoals gezegd al jong voor zijn vader in diens dorpstimmer-aannemerszaak te Ellecom.(5) Na de lagere school doorlopen te hebben volgde Rutgers vakonderwijs, welk soort vakonderwijs is niet nader bekend. Vanaf 1897 ging hij op verschillende architectenkantoren de praktische zijde van het door hem gekozen beroep beoefenen.(6) Tijdens de restauratie van Bergstein in Ellecom kwam Rutgers in aanraking met D.A.N. Margadant, architect bij de Spoorwegen (o.a. architect van het bekende Art Nouveau station in Haarlem, 1908). Hij zou van 1902-1905 voor Margadant gaan werken. Rutgers merkte echter dat hij nog achterliep bij zijn tijdgenoten en hij verhuisde naar Amsterdam waar het toen 'allemaal gebeurde'. 's Avonds gaf hij lessen aan de Ambachtsschool van Jelsma en overdag studeerde hij zelf. Via contacten bij het Genootschap Architectura et Amicitia kreeg Rutgers een baan bij Willem Kromhout, ??n van de voorgangers van de Amsterdamse School. De opvattingen en werkwijze van Kromhout waren veel fantastischer en meer op de vorm gericht dan bij zijn tijdgenoten. Kromhout is zeer belangrijk in de verdere ontwikkeling van Rutgers geweest. Tijdens de drie jaar dat Rutgers bij hem werkte, van 1906-1909 (7), was Kromhout medeoprichter van de BNA (Bond van Nederlandsche Architecten) en van het VHBO (Voortgezet en Hooger Bouwkunst Onderricht) die de kwaliteit van de bouwkunst moesten verbeteren.(8) Na Kromhout werkte G.J. Rutgers van 1909-1911 aan de Valeriuskliniek voor architect H. Bonda. Deze overstap had waarschijnlijk te maken met Rutgers' ambities om zelfstandig te worden. Bij Bonda leerde hij immers de uitvoeringsaspecten. In 1911 vestigde G.J. Rutgers zich samen met J. Roosing jr. voor het eerst als zelfstandig architect.(9) Waarvan Rutgers Roosing kende en hoe de samenwerking verder verliep is niet bekend. Tijdens de oorlogsjaren waren zij gedwongen hun praktijk op te geven en scheidden hun wegen. Roosing vervalt dan in de anonimiteit, terwijl de succesvolste jaren voor Rutgers nog moesten komen. Rutgers kreeg een aanstelling bij de Dienst Publieke Werken in Amsterdam, waar hij van 1915 tot 1919 werkzaam was. Direct na de oorlog nam hij ontslag om in 1919 opnieuw een zelfstandig architectenburo te beginnen. De rest van zijn leven bleef G.J. Rutgers als zelfstandig architect werkzaam.(10) Een enkele keer was er nog sprake van samenwerking met andere architecten, zoals bijvoorbeeld in 1954 met J.H. Groenewegen en H. Mieras.(11)
Opvatting over architectuur
Hoewel Rutgers bouwde in de stijl van de Amsterdamse School volgde hieruit ook bij hem geen vaste opvatting. De Amsterdamse School was namelijk geen beweging met een duidelijke, in manifesten omschreven ideologie. De eigen herkenbare identiteit van de Amsterdamse School ontstond door de vergelijkbare inzichten en uitdrukkingsvormen van de beoefenaars, aldus Casciato.(12) Dit wil echter niet zeggen dat Rutgers geen duidelijke opvattingen had over de bouwkunst. Volgens Rutgers was de ons omringende natuur zo vol van schoonheid, dat dit de wil om zelf schoonheid te cre?ren als vanzelf genereerde. Hij zag het cre?ren van schoonheid als een primitieve natuurlijke drang. De gedaante waarin de schoonheid zich hierbij uitte was volgens hem een afspiegeling van de evolutionerende geestesgesteldheid der massa. Tijdens de industri?le revolutie en de daarmee gepaard gaande mechanisatie werd de schoonheid volgens Rutgers verdrongen door de nuttigheidsvraag. De oorspronkelijke drang liet zich echter niet lang verloochenen en juist door de mechanisatie zou het handwerk op een hoger niveau kunnen komen. Rond 1900 werd de strijd aangegaan met schijne schoon en nabootsing. De stroming die dit nastreefde noemde Rutgers het proto-modernisme. Als voornaamste vertegenwoordigers noemt hij Berlage en De Bazel. Aan het proto-modernisme dankte Rutgers de groei van de architectuur, ambachts- en nijverheidskunsten in de daaropvolgende jaren. Rutgers bekritiseerde de Amsterdamse School, omdat deze geen algemeen ideaal had, zoals het proto-modernisme. Toch liet ook hij zich meeslepen door de hartstocht en de bijzondere vormentaal van de Amsterdamse School en veranderde ook hij van richting. De stijl van Amsterdamse School was ontwikkeld door enkele sterke persoonlijkheden. Volgens Rutgers zou de stroming na het wegvallen van deze persoonlijkheden niet verder ontwikkeld kunnen worden zonder een algemeen ideaal. Hij stelde dan ook voor elke nieuwe, krachtige, originele houding te onderdrukken tot het persoonlijke zou hebben plaatsgemaakt voor een beredeneerde basis. Zijn gedachten hierover publiceerde Rutgers voor het eerst in zijn eigen blad Huis en Hof, in 1919.(13) Vijf jaar later, in 1924, werd vrijwel dezelfde tekst nog een keer gepubliceerd.(14) Rutgers had in zoverre gelijk dat een stijl die niet voortvloeit uit een theorie, zich moelijk kan aanpassen aan veranderende omstandigheden, in zoverre zag hij het einde van de Amsterdamse School al snel aankomen.
Lidmaatschappen van verenigingen
Tijdens de oprichting van de Bond van Nederlandsche Architecten (B.N.A.) in 1908 was Rutgers werkzaam bij een van de oprichters (W.Kromhout), voor zover bekend werd hij echter pas vanaf 1920 lid. Naast zijn loopbaan als architect was Rutgers ook actief binnen allerlei andere verenigingen die met architectuur te maken hadden. Zo was hij bij het Genootschap Architectura et Amicitia actief lid, wat hem in 1906 de dienstbetrekking bij W. Kromhout opleverde.(15) Rutgers is zelfs nog een tijd lang secretaris geweest van A et A.(16) Samen met Berlage, Gratama en Slothouwer nam hij tweemaal een periode van twee jaar zitting in de Schoonheidscommissie.
Typering oeuvre
Rutgers gebouwde oeuvre is in drie perioden onder te verdelen; zijn Amsterdamse Schoolperiode, de periode ervoor en de periode erna. Hoewel Rutgers zijn leertijd bij Margadant (Art Nouveau) en Willem Kromhout (voorloper van de Amsterdamse School) had genoten en dus in aanraking kwam met een expressievere manier van ontwerpen, waren zijn eerste zelfstandige werken volledig in de trant van Berlages rationalisme. Waarschijnlijk be?nvloed door zijn collega's bij de dienst Publieke Werken en zijn contacten bij Architectura et Amicitia, stapte Rutgers rond 1920 over op de Amsterdamse Schoolstijl. De meest expressieve periode was toen al voorbij, de architectuur werd degelijker met meer oog voor het detail. De oorzaak van deze verandering lag vooral in het nieuwe werkterrein: de volkshuisvesting. Na 1922 veranderde de conjunctuur in enkele jaren opnieuw. De overheidssubsidies voor de woningbouw, die een continue productie hadden gegarandeerd, daalden aanzienlijk, terwijl het particulier initiatief toenam. Door de eisen die de grote particuliere bouwondernemingen stelden, werden de grote woonblokken van de Amsterdamse School strenger, soberder, regelmatiger en meer op de bouwproduktiviteit afgestemd. Zo ontstond de zogenaamde 'tweede Amsterdamse School', waarvan Rutgers ??n van de belangrijkste en bekendste vertegenwoordigers is.(17) Rutgers gebruikte nog veel van de uiterlijke kenmerken (kozijntypes, hoekpartijen), maar de plasticiteit en het expressionisme ontbraken.(18) De Klerk, Kramer en Van der Mey zijn ongetwijfeld de belangrijkste architecten van de Amsterdamse School, maar het belang van deze richting schuilt niet alleen in het werk van bepaalde personen, maar juist in de grote productiviteit van de stroming.(19) Rutgers heeft hiertoe aanzienlijk bijgedragen door grote delen van Berlages Plan Zuid te ontwerpen. Het einde van Rutgers' grote werken kwam tegelijk met de inzinking van de Amsterdamse School. Het is Rutgers niet gelukt om zich de nieuwe idee?n van De Stijl en van de functionalisten eigen te maken. Tot op hoge leeftijd was Rutgers echter actief en hij bleef altijd ge?nteresseerd in de bouwpraktijk.
Dienst Publieke Werken Amsterdam
Het keerpunt in Rutgers' architectuurstijl kwam tijdens zijn dienstbetrekking bij de dienst Publieke Werken in Amsterdam, Afdeling Gebouwen. Hier transformeerde hij zijn Berlagiaanse bouwstijl in de Amsterdamse School-stijl. Door de malaise die met de oorlogsjaren gepaard ging konden G.J. Rutgers en J. Roosing hun praktijk in 1914 niet langer voortzetten. G.J. Rutgers trad daarom in 1915 toe tot de dienst Publieke Werken in Amsterdam, net zoals vele andere gedupeerde architecten. Dit had tot gevolg dat de dienst opeens beschikte over veel goed geschoolde architecten, waarvan velen aanhangers waren van de Amsterdamse School. Zo werkten Van der Mey, Kramer en de Klerk in dezelfde periode bij de dienst P.W. als Rutgers. Bij de dienst werkte Rutgers eerst onder Springer en daarna onder Hulshoff. Hulshoff was het hoofd van de Afdeling Gebouwen en werd bijgestaan door enkele architecten die verschillende taken vervulden. Rutgers was belast met het uitvoeren van de schetsplannen die door Hulshoff gemaakt waren. Architect Van der Mey, die ook bij de dienst werkte, bekritiseerde de organisatievorm in een geheim rapport: '...er zijn individueel zeer goede krachten, die echter niet in de gelegenheid komen hun bekwaamheden voldoende te ontplooien, te minder nu men met het voornemen rondgaat, de Heer Rutgers te benoemen tot architect 2e klasse met het doel dezen Heer de aesthetische leiding te geven van den Teekenkamer, een taak waarvoor deze Heer absoluut niet berekend is.' Desalniettemin werd Rutgers in 1916 benoemd tot architect 2e klasse. Hij hield zich hierbij hoofdzakelijk bezig met het ontwerpen van grote openbare gebouwen en woningbouwprojecten. Ondanks deze goede functie verliet Rutgers de dienst Publieke Werken in 1918, direct na de oorlog, om weer zijn eigen architectenpraktijk voort te zetten.(20)
Deelname aan prijsvragen
In 1924 nam Rutgers deel aan een prijsvraag voor een nieuwe indeling van het Rokin in Amsterdam. De prijsvraag was uitgeschreven door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam. De jury vond echter geen enkel ontwerp goed genoeg voor uitvoering en daarom verdeelde zij het prijzengeld van ?2000,- in gelijke delen over de vijf beste inzendingen. Hiertoe behoorde ook Rutgers, die deelgenomen had onder het motto B.O.B., waar deze letters voor stonden is niet bekend.(21) In 1925 won G.J. Rutgers op de wereldtentoonstelling in Parijs voor een van zijn interieurs de Medaille d'Or in de categorie interieur- en meubelkunst. Tijdens deze wereldtentoonstelling won hij tevens de Medaille d'Argent in de categorie architectuur voor zijn schoolgebouw Haarlemmer Houttuinen, Amsterdam. Dit laatste gebouw realiseerde hij tijdens zijn dienstbetrekking bij de dienst Publieke Werken te Amsterdam.(22) In 1929 dong Rutgers mee naar het bebouwingsvoorstel voor het Minervaplein en het August-Alleb?plein in Amsterdam. De Commissie Zuid had deze besloten prijsvraag uitgeschreven om zoveel mogelijk invloed uit te kunnen oefenen op het te realiseren ontwerp. Rutgers maakte hiervoor zijn meest monumentale ontwerpen, waarbij het voorstel voor het Minervaplein erg aan de Italiaanse rationalisten uit de jaren dertig doet denken. De prijsvraag leverde uiteindelijk niets op voor Rutgers. Architect Blaauw won de prijsvraag voor het Minervaplein en architect Boterenbrood die voor het Alleb?plein, maar dit laatste ontwerp is nooit gerealiseerd vanwege de economische crisis.(23) Zelf nam Rutgers in 1935 een keer zitting in een jury. Het ging hierbij om een prijsvraag voor brievenbussen aan portiekwoningen in Amsterdam, uitgeschreven door de PTT.(24)
Andere werkzaamheden
Behalve architectuurontwerpen hield Rutgers zich, geheel in de gedachtelijn van de Amsterdamse School, ook verdienstelijk bezig met het ontwerpen van interieurs. Zo ontwierp hij de interieurs van het bekende Amstel Hotel (1925) en het Hotel American (1926) in Amsterdam.(25) Als leraar droeg Rutgers zijn enthousiasme van de bouwkunde en zijn opvattingen over op zijn studenten in Amsterdam. Eerst tijdens de avondlessen die hij gaf op de Ambachtsschool van Jelsma (26) en later als leraar aan de VHBO-opleiding.(27) Deze laatste opleiding besteedde, in tegenstelling tot de Polytechnische School in Delft, veel aandacht aan de schoonheidsleer, kunstgeschiedenis en het architectonisch ontwerpen. Hier gaven veel vertegenwoordigers van de Amsterdamse School les.(28) Rutgers maakte verscheidene studiereizen, o.a. naar Duitsland, Oostenrijk, Frankrijk en Itali?. Vooral dit laatste land, vol kunst en historische herinneringen had zijn bijzondere voorliefde.(29) Nu en dan publiceerde Rutgers een artikel in de vakbladen, zoals Het Bouwkundig Weekblad en Architectura. Meestal betrof het hierbij een beschrijving van zijn eigen werk. In 1919 vatte Rutgers echter het initiatief een nieuw tijdschrift te beginnen, genaamd Huis en Hof. Een weekblad dat was gewijd aan de bouwkunst, tuinkunst, interieur-, nijverheids- en sierkunst. Een tijdschrift dat al deze vakgebieden bundelde was volgens hem nog niet op de markt en hij verwachtte een succes. Het kwam echter nooit verder dan de uitgifte van het proefnummer, wat voor Rutgers een grote teleurstelling geweest moet zijn. Maar dergelijke bladen bestonden er echter al, zoals Wendingen, wat een reden zou kunnen zijn geweest voor het fiasco.
Rutgers als vergeten architect
Onder zijn tijdgenoten had Rutgers een grote naamsbekendheid. Zijn gebouwen werden veelvuldig gepubliceerd, zowel in Nederland als ook in het buitenland. Binnen Amsterdam was hij daarnaast ook nog actief in de welstandscommissie en A et A, waardoor hij met veel vakgenoten in aanraking kwam. Zijn naam is nog tot 1956 opgenomen in vele publicaties over vooraanstaande Nederlanders. Zo is Rutgers zelfs opgenomen in de Duitse encyclopedie 'Allgemeines Lexicon der Bildenden K?nstler, von der Antike bis zur Gegenwart', uit 1935.(30) Rutgers behoorde tot de tweede generatie van de Amsterdamse School, die strenger en minder expressief was dan de eerste. Dat maakte hem later minder interessant voor bestudering, waardoor zijn naam minder vaak ter sprake kwam. In huidige publicaties wordt Rutgers vaak als voorbeeld genoemd van deze tweede stroming, in het kielzog van de bekende Amsterdamse School architecten. Veel mensen kennen Rutgers' gebouwen, maar niet zijn naam. Ook daaruit blijkt de kwaliteit van enkele van Rutgers' ontwerpen.
Beschrijving van enkele werken uit het oeuvre
Dubbel herenhuis aan de Waldeck Pyrmontlaan 9-11 te Amsterdam (1914)
Een vroeg werk van Rutgers is dit grote dubbel herenhuis aan de Waldeck Pyrmontlaan in Amsterdam, dat hij in samenwerking met J. Roosing ontwierp. De invloed van Berlage is bij dit herenhuis nog erg aanwezig. Het gebouw bestaat uit vier bouwlagen en heeft een eenvoudige plattegrond. Het huis heeft een grote, rustige, massale vorm gekregen en werkt daardoor erg gesloten, haast monumentaal. Om dit effect nog te versterken hebben Rutgers en Roosing een zekere verticaliteit ge?ntroduceerd; de raampartijen in de gevel zijn verticaal verbonden, grote muurvlakken zijn onversierd gelaten, de goot steekt niet uit en het stoere dak rijst hoog op. Dit alles wordt nog eens versterkt door de toepassing van symmetrie, zowel in de plattegrond als in de gevel. Om te vermijdden dat het geheel te lomp en zwaar werkt, zijn de hoeken van het gebouw vanaf de beletage afgeschuind. De kleine driehoekige balkonnetjes die zo ontstaan vormen een wat merkwaardig motief, dat eigenlijk afbreuk doet aan de monumentaliteit. Het gebouw is geheel uitgevoerd in donkerrode baksteen en het dak is gedekt met donkergrijze lijen, waarmee de materialisatie ook nog bijdraagt tot het beoogde karakter van het gebouw.(31)
Hoekbebouwing Rijnstraat-Amstelkade Amsterdam (1920)
Deze hoekbebouwing vormt ??n van de toegangen tot Berlages Plan Zuid; dit deel van het plan bestond uit woonblokken met een binnentuin en was bestemd voor de middenklasse. De omvang van de woningen was vastgesteld op ca. 100 m2 (groter dan het gemiddelde). Omdat voor de beoordeling van de esthetische kwaliteit een afzonderlijke schoonheidscommissie was ingesteld, werden de architecten alleen aangetrokken voor het gevelontwerp (32), per perceel ontvingen zij hiervoor ?100,-.(33) De bebouwing van de hoek Rijnstraat-Amstelkade behoort tot Rutgers' eerste en tegelijkertijd meest expressieve werken in de Amsterdamse Schoolstijl. Typische kenmerken van de Amsterdamse School in dit ontwerp zijn het doorbreken op de hoeken van twee elkaar snijdende gevelvlakken, de kozijntypes, de uitspringende delen van de gevel en de grote plasticiteit. Wat bij dit ontwerp meteen in het oog springt zijn de ronde erkers ge?ntegreerd met kleine balkons en de om de hoek zwaaiende, massief stenen balkons, die de plasticiteit nog eens benadrukken. Op de begane grond bevinden zich winkels, waarboven drie woonverdiepingen liggen plus een zolderverdieping. Om het accent op de hoekbebouwing te benadrukken zijn de erkers uitgewerkt als twee kleine torentjes en op de hoeken ontbreekt de zolderverdieping. In 1992 vond een grondige renovatie plaats, waarbij de torentjes van de linker straathoek werden afgebroken en er werd zelfs sloop van een deel van het blok overwogen in verband met funderingsproblemen. Inmiddels is het gebouw weer geheel in originele staat hersteld.(34)
Grand Hotel Centraal/Carlton Hotel Vijzelstraat Amsterdam (1925-1926)
Ter gelegenheid van de Olympische Spelen van 1928 in Amsterdam stimuleerde de gemeente de bouw van enkele grote hotels, omdat de stedelijke hotelcapaciteit te klein was. E?n van deze hotels, gelegen aan de zeer centrale Vijzelstraat, was het door Rutgers ontworpen Grand Hotel Centraal. Het behoort tot Rutgers' grotere bouwwerken en is een goed voorbeeld van de strenge variant van de Amsterdamse School die Rutgers hanteerde. Het oorspronkelijke ontwerp voor het hotel was een langwerpig gebouw op een rechthoekige plattegrond aan de Vijzelstraat, dat doorliep over een zijstraat, de Reguliersdwarsstraat. Aan de twee korte kanten, gelegen aan grachten, moesten de hoofdingangen komen. In werkelijkheid werd alleen dat deel uitgevoerd dat van de Singel naar de eerstvolgende overspanning bij de Reguliersdwarsstraat liep.(35) De schoonheidscommissie eiste dat de hoogte van de kap met het oog op de munttoren (hoogte 36m) werd verlaagd.(36) Esthetisch adviseur voor de Vijzelstraat, K.P.C. de Bazel, was zeer positief over Rutgers' werk. De gevel aan de Vijzelstraat heeft over de gehele begane grond een galerij met hoekig gelijnde bogen en daarachter winkelruimtes. Waarschijnlijk was Rutgers hierop gewezen door Berlage, die De Bazel na diens dood opvolgde als esthetisch adviseur voor het straatbeeld. De draagconstructie is van gewapend beton bekleed met rood baksteen en met ingelegd grijs graniet bij de bogen op de begane grond. Hierdoor is een grijs decoratief rooster rondom het bouwvolume ontstaan. Dit wordt in beweging gezet door een mani?ristisch gebruik van gebroken lijnen, die de krachtige massa versterken. Het gebouw viel bij de tijdgenoten niet in de smaak. Ze vonden het ontwerp te veel opgaan in de omgeving en tevens te monumentaal.(37) Zo schrijft J.M. v. Hardeveld in het Bouwkundig Weekblad: 'Het is zeker niet te beschouwen als een der beste werken van Rutgers (...) Ik hoop van harte dat Rutgers zijn plan nog eens radicaal omwerpt.' (38)
Woningbouw in Bos en Lommer (Oost) Amsterdam (1951)
Dit is een van de latere werken van Rutgers, uit de periode waarin zijn bekendheid sterk aan het tanen was. Zijn bouwwerken kregen steeds minder uitstraling. De opdracht voor dit woningenblok kreeg Rutgers van de woningbouwvereniging De Dageraad.(39) In tegenstelling tot zijn Amsterdamse Schoolperiode ontwierp Rutgers nu ook de plattegronden van de bouwblokken zelf, door de strikte regelgeving was er echter niet veel variatie mogelijk. Bij dit ontwerp doorbreekt Rutgers de monotonie van het strakke bouwblok door de loggia's iets uit het gevelvlak te laten steken en de ramen van het trappenhuis steeds een halve verdieping te laten verspringen. Enkele details ontkrachten de strengheid van het blok nog verder; de ronde entreedeuren, de opengewerkte hoek met zuil, een rond raampje op de hoek en de afrondingen van de loggia's.
Slot
In zijn lange leven heeft Rutgers zich niet alleen bezig gehouden met architectuur, maar in mindere mate ook met toegepaste kunst. Rutgers ontwierp eigenlijk alles waarvoor hij een opdracht kreeg. Hij bouwde enkele hotels, kerken, een school, maar vooral met zijn villabouw en woningbouw in Amsterdam-Zuid verwierf hij grote naamsbekendheid. Hij was ??n van de bekendste en de produktiefste vertegenwoordigers van de tweede generatie binnen de Amsterdamse School. De omvang van Rutgers' produktie wordt pas goed duidelijk als men deze op de kaart van Amsterdam aangeeft. Het Monumenten Inventarisatie Project heeft meerdere bouwwerken van Rutgers opgenomen, waaruit ook hedendaagse waardering voor zijn werk spreekt.
Noten
1) Lammers, 354. 2) Rutgers kwam in 1909 naar Amsterdam waar hij tot 1932 op diverse onbekende adressen woonde, daarna heeft hij op de volgende adressen gewoond allen gelegen in Berlages Plan Zuid: Banstraat 4 (1932), Verdistraat 2 (1938), Stadionweg 38 (1939), Zuidelijke Wandelweg 3 (1941), Frans van Mierisstraat 136 (1944), Frans van Mierisstraat 118 (1946). Persoonlijkheden, 1266. 3) De Roy van Zuydewijn, 171. 4) Bouw 1962, 352. 5) Lammers, 354. 6) In het boek 'Persoonlijkheden in het koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld' wordt gemeld dat Rutgers bij verschillende architectenburo's in Gelderland en Amsterdam heeft gewerkt, er wordt verder echter niet op ingegeaan welke dit geweest zijn. Persoonlijkheden, 1266. 7) Lammers, 354. 8) Bosmans, Aalberse, http://www.konbib.nl/infolev/ing/rgp/werkbest/bwn/lemmata/kromhout.html. 9) Lammers, 354. 10) Lammers, 354. 11) Barnard, 10. 12) Casciato, 8. 13) Rutgers 1919, 15. 14) Rutgers 1924, 23. 15) Lammers, 354. 16) Rutgers 1913, 293. 17) Casciato, 30. 18) De Wit, 60. 19) Fanelli, 109. 20) Van Ommen, 63. 21) Bouwkundig Weekblad 1924, 506-516. 22) Bouwkundig Weekblad 1925, 518-520. 23) Beek, 39 24) Bouwkundig Weekblad 1935, 395. 25) Fanelli, 308 26) Lammers, 354. 27) De Wit, 60. 28) Bosman, Aalberse, http://www.konbib.nl/infolev/ing/rgp/werkbest/bwn/lemmata/kromhout.html. 29) Persoonlijkheden, 1266. 30) Thieme, Becker, 239 31) Gratama, 361-363. 32) Casciato, 141. 33) Boeken, 44. 34) Slooff, 67 35) Casciato, 111. 36) De Bouwwereld, 45. 37) Casciato, 112. 38) Van Hardeveld, 124 39) Van Marlen, 676.
Literatuurlijst - essay
Anoniem, 'De onderscheidingen op de Parijsche tentoonstelling', Bouwkundig Weekblad, 46 (1925) 44, 518-520. Anoniem, 'Het hotel in de Vijzelstraat te Amsterdam', De Bouwwereld, 23 (1924) 6, 45. Anoniem, 'Rapport der jury, ingesteld ter beoordeling van de inzendingen naar aanleiding van de door het staatsbedrijf de P.T.T. uitgeschreven prijsvraag voor een ontwerp van brievenbussen aan portiekwoningen.', Bouwkundig Weekblad, 56 (1935) 38, 394-395. Anoniem, 'Rokin-prijsvraag', Bouwkundig Weekblad, 45 (1924) 50, 506-516. Anoniem, Persoonlijkheden in het koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld, Amsterdam, 1938. Anoniem, 'Personalia', Bouw, 17 (1962) 10, 352. Bakker, M.M., Poll, F.M. van de, Architectuur en stedebouw in Amsterdam 1850-1940; Monumenten Inventarisatie Project, Zwolle, 1992. Barnard, W., 'Het materiaal van de kerkdienst', Forum, 12 (1952) 1-2, 2-37. Beek, M., 'Ambtenaren en architecten, een schoonheidscommissie als kunstenaar', in: Gaillard, K., Dokter B., Berlage en Amsterdam Zuid, Rotterdam, 1992, 26-45. Boeken, A., 'De architect en de eigenbouwer', Bouwkundig Weekblad, 44 (1923) 4, 45-47. Bosmans, J., Aalberse P.J.M., Biografisch Woordenboek van Nederland, Den Haag, 1995. Casciato, M., De Amsterdamse School, Rotterdam, 1991 Fanelli, G., Moderne architectuur in Nederland; 1900-1940, Den Haag, 1981. Gratama, J., 'Kroniek LX', Bouwkundig Weekblad, 34 (1914) 30, 361-363. Hardeveld, J.M. van, 'De tweede Vijzeltraat bebouwing', Bouwkundig Weekblad, 46 (1925) 7, 121-124. Lammers, T.J., 'Architect G.J. Rutgers 75 jaar', Bouwkundig Weekblad, 70 (1952) 45-46, 354. Marlen, L. van, 'Na-oorlogse etegebouw te Amsterdam', Bouw, 6 (1951) 40, 674-684. Ommen, K. van, Straatmeubilair Amsterdamse School 1911-1940, Amsterdam, 1992. Roy van Zuydewijn, H.J.F. de, Amsterdamse Bouwkunst 1815-1940, Amsterdam, 1970. Rutgers, G.J., '-', Huis en Hof, 1 (1919) 1, 14-15. Rutgers, G.J., 'Bouwkunst', Maandblad voor Beeldende Kunsten, 1 (1924) 1, 23-28. Rutgers, G.J., 'Mededelingen betreffende het genootschap', Architectura, 21 (1913) 36, 293. Slooff M., 'De toekomst van Plan Zuid: beheer en behoud van een monument', in: Gaillard, K., Dokter B., Berlage en Amsterdam Zuid, Rotterdam, 1992, 59-68. Thieme, U., Becker, F., Allgemeines Lexicon der Bildenden K?nstler, von der Antike bis zur Gegenwart , Leipzig, 1935. Wit, W. de, 'De architectuur der Amsterdamse School', in: Venema, A., Bergvelt, E., Burkam, F., Nederlandse architectuur 1910-1930 - Amsterdamse School, Amsterdam, 1975, 42-70.
|