| Naam: | Metrostations Amsterdam |
| Type: | metrostations; |
| Architecten: | Rhijn, P.H. van, 1970; Spangberg, B.; |
| Bijdragen: | Snoek, J. -beeldhouwwerk-, Opland -beeldende kunst-, Wong, Jos -beeldende kunst-, Van Dam -beeldende kunst-, Brattinga, Pieter -bewegwijzering-, |
| Adres: | , Amsterdam; |
| Archiefgegevens: | NAi/RHIJ t485, ph44-45, d4 (calques, foto's) |
De oostlijn is vanaf C.S. tot het Amstelstation ondergronds en daarna bovengronds. De meeste stations bestaan uit een perroneiland met aan weerszijden de sporen. De ondergrondse stations (5 stuks) zijn met elkaar verbonden door schilderingen op de tunnelwanden. Voor de wanden van de publieksruimten is gekozen voor metselwerk van sterk poreuze en korrelige betonstenen. De verlichting van TL-armaturen zijn opgenomen in alkoven aan het plafond die de looplijnen accentueren. De bovengrondse stations (15 stuks) zijn voorzien van vlakke perronkappen van grote lengte. De trappenhuizen zijn van schoon gedeeltelijk beschilderd beton. De roestvast trapleuningen steunen op betonnen leuninghouders. In de weidse omgeving van de Bijlmer is gekozen voor een dubbelsporig tweelingviaduct in plaats van een breed viaduct. In 1979 kregen Van Rhijn en Spangberg de Merkelbachprijs voor het ontwerp van de metro. In 1981werd de Nederlandse Betonprijs aan de Amsterdamse metro uitgereikt.