|
Essay:
|
I. Falkenberg-Liefrinck (1901-2006) Ida Falkenberg-Liefrinck behoorde samen met Lotte Stam-Beese en B? Niegeman-Brand tot de weinige vrouwen die een actieve rol hebben gespeeld in de kringen van architecten van het Nieuwe Bouwen. Zij is vooral bekend geworden door de ontwikkeling en propagand ... meer
I. Falkenberg-Liefrinck (1901-2006)
Ida Falkenberg-Liefrinck behoorde samen met Lotte Stam-Beese en B? Niegeman-Brand tot de weinige vrouwen die een actieve rol hebben gespeeld in de kringen van architecten van het Nieuwe Bouwen. Zij is vooral bekend geworden door de ontwikkeling en propaganda van de rotan stoel. Deze stoel, waarvan zij in de jaren dertig verschillende varianten ontwierp, zou pas na de Tweede Wereldoorlog op ruime schaal een plaats in het Nederlandse interieur veroveren. Het experimenteren met nieuwe meubelvormen heeft bij Ida Falkenberg-Liefrinck steeds in het teken gestaan van een verlangen om de minder bedeelde bevolkingsgroepen een goede, plezierige woning te bieden. Haar werkzaamheden op het bureau van J.J.P. Oud, waar zij meewerkte aan het interieur van diens arbeiderswoningen in de Weissenhofsiedlung in Stuttgart, hebben daar zeker richting aan gegeven. Hoewel zij al een gedegen scholing had - zij had in Amsterdam de Quellinusschool doorlopen en daarna kunstgeschiedenis gestudeerd - besloot zij zich eind jaren twintig verder te bekwamen in het vak van meubelmaker aan de Deutsche Werkst?tten in Hellerau. Begin jaren dertig kwam zij terug naar Nederland, Het ging Ida Falkenberg-Liefrinck niet alleen om een goede woninginrichting voor arbeidersgezinnen, maar ook voor al diegenen die zich in de crisisjaren met kamers en kamertjes in onderhuur moesten behelpen. Daarbij had zij met name het gestaag groeiende aantal alleenstaande werkende vrouwen voor ogen. Via modelkamers en -woningen liet zij zien hoe een bewoner door een afgewogen indeling en multifunctioneel meubilair ook van een relatief kleine ruimte een plezierige woonomgeving kon maken. Zij schuwde daarbij hergebruik van bestaand meubilair niet, terwijl zij ook liet zien dat in volkswinkels voor weinig geld soms goedkoop en praktisch meubilair te verkrijgen was. Het was paradoxaal genoeg binnen de context van de luxe woningzaak Metz & Co. in Amsterdam dat zij veel van haar idee?n kon ontwikkelen. Voor deze firma ontwierp zij niet alleen meubelen van rotan, maar ook van dure houtsoorten. Steeds heeft Ida Falkenberg-Liefrinck erop gewezen dat de moderne stedenbouw en de bouw van moderne en functionele woningen geen blijvend effect zouden hebben als er niet tegelijkertijd een totale maatschappelijke herori?ntatie zou plaatsvinden. In dit opzicht was er nog het meeste zielsverwantschap met architecten als Mart Stam en J.B. van Loghem. Binnen de discussies die er eind jaren dertig binnen De 8 en Opbouw ontstonden over de maatschappelijke rol van architectuur en de plaats van de esthetica daarin, heeft zij met haar onverzoenlijke standpunten beslist een polariserende rol gespeeld. Na de Tweede Wereldoorlog is Ida Falkenberg-Liefrinck niet meer teruggekeerd in Nederland. Zij heeft nog verscheidene projecten gerealiseerd in de voormalige DDR. Ida Falkenberg-Liefrinck is op het moment van verschijnen van dit boekje 99 jaar. Zij woont in Berlijn. De bibliografie en de oeuvrelijst zijn behalve op literatuuronderzoek gebaseerd op materiaal uit het archief Metz & Co. in het Gemeentearchief van Amsterdam en gegevens afkomstig uit archieven van collega-architecten uit De 8 en Opbouw. Over de naoorlogse periode heeft mevrouw Falkenberg-Liefrinck zelf materiaal ter beschikking gesteld.
Achtergrond en opleiding
Ida Falkenberg-Liefrinck werd in 1901 geboren in Arnhem. Haar vader was daar directeur van de levensverzekeringsmaatschappij De Arnhem. Haar moeder was een zeer ge?mancipeerde vrouw die als een van de eerste vrouwen in Nederland aan het einde van de negentiende eeuw wiskunde studeerde. Zij zorgde er voor dat haar eigen kinderen een goede opleiding kregen. Ida volgde dan ook in een klas met voornamelijk jongens de vijfjarige HBS.1 Op advies van de architect H.A.J. Baanders (1876-1953), die het gebouw voor haar vaders levenszekeringsmaatschappij had ontworpen, schreef Ida zich in 1918 in aan de de Quellinusschool te Amsterdam. Deze school was in 1879 opgericht als kunstnijverheidsvakschool. Het was een ambachtelijke opleiding met als doel een vak te leren als meubelmaker, lithograaf of bouwkundige. Met de komst van J.L.M. Lauweriks (1864-1953) als directeur in 1916 veranderde het onderwijs. Zo werd de afdeling Bouwkundig Tekenen vervangen door de afdeling Binnenarchitectuur en Meubelkunst. Ida ging deze eerste vakopleiding voor binnenhuisarchitecten volgen, die onder leiding stond van Lauweriks zelf. Ida Falkenberg vond zijn manier van onderwijs geven beperkend en zijn gedachtengang vaag. Hij gaf zelden gerichte opdrachten omdat hij vond dat alles uit de leerling zelf moest komen. De basis van de ontwerpen van Lauweriks was de rastermethode, die aan het einde van de negentiende eeuw door verschillende Nederlandse architecten, onder wie H.P. Berlage, werd gebruikt. Op papier werd eerst een raster van vierkanten gezet, waarna er met een passer en lineaal lijnen op werden aangebracht. Als laatste werd het tweedimensionale ontwerp in perspectief gebracht.2 Ida kon zich niet vinden in dit op filosofisch-esthetische gronden gebaseerde ontwerpsysteem. Volgens haar was de rastermethode bruikbaar bij werk op het platte vlak zoals decoraties. Bij binnenhuisarchitectuur was juist de effici?nte inrichting van de ruimte belangrijk. Om meer bezig te zijn met driedimensionale objecten ging Ida Falkenberg ook vakken volgen bij Bert Nienhuis (1873-1960) die als docent keramiek verbonden was aan de Quellinusschool. Nienhuis had aanvankelijk sieraden ontworpen maar wijdde zich vanaf 1919 geheel aan de pottenbakkerij. In zijn lessen besteede hij aandacht aan het kneden van vormen uit de vrije hand.3 Ida zegt zelf dat ze van Nienhuis plastisch leerde denken.4 Z?rich en Parijs Tegen Lauweriks principe dat alles uit de leerling zelf moest komen, had Ida Falkenberg bezwaar. Zelf had ze de behoefte om kennis te nemen van bestaande kunstwerken. Daarom ging ze in 1922 naar Z?rich om kunstgeschiedenis te studeren. Ze wilde in Z?rich blijven om daar te gaan werken, maar kreeg hier geen vergunning voor. Ze kreeg het advies om naar Parijs te gaan.5 Zij volgde dit advies op; ze ging er werken als tekenaar in de grote meubelzaak Maison Dumas aan de Place de la Bourse.6, waar vooral meubelen in neostijlen werden verkocht. Het werk van Ida bestond voornamelijk uit het maken van fraaie presentatietekeningen. Terwijl ze in Parijs was, bezocht ze veel musea. Het zien van meubelen uit verschillende eeuwen bleek een grote bron van inspiratie.7 Vooral de middeleeuwse meubelen maakten een grote indruk op haar, wat te zien is in de eerste grote opdracht die ze kreeg toen zij in 1926 naar Nederland terugkeerde. Ze mocht het huis van haar vader in Oosterbeek inrichten. De middeleeuwse invloed is herkenbaar in de simpele en wat zwaar ogende meubelen. De bureaustoel die zij voor haar vader maakte, heeft een hoge rugleuning zoals middeleeuwse zetels. De meubelen werden uitgevoerd door meubelfabriek L.O.V. in Oosterbeek. L.O.V. had van haar vader al eerder de opdracht gekregen om de volledige inrichting van het kantoor van zijn verzekeringsmaatschappij te verzorgen.8 Ida zelf zegt dat ze veel steun had aan de meubelfabriek. Het was een fabriek die kwaliteit leverde. Ze had niet zoveel ervaring met het ontwerpen van meubelen maar door de hulp van L.O.V. kwam er toch iets goeds uit.9
Op het bureau van J.J.P. Oud
Nadat ze het interieur van haar vader had voltooid, zocht Ida Falkenberg nieuwe opdrachten. Eduard Cuypers, architect en vriend van Ida's vader vroeg in een brief (november 1926) aan H.P. Berlage welke richting zij het beste uit kon gaan. Cuypers zelf zegt in deze brief 'Ik voor mij heb haar aangeraden te trachten b.v. op de meubelfabriek te Oosterbeek geplaatst te worden, om daar te ontwerpen en tevens practisch onderlegd te worden.'10 Ze volgde de raad van Cuypers niet op maar solliciteerde bij meubelfabriek Pander in Amsterdam, waar ze als volontair aan de slag kon. Voordat ze echter aan haar nieuwe baan in Amsterdam zou beginnen, bezocht Ida een vriendin in Parijs. Daar hoorde ze van het bureau van J.J.P.Oud in Rotterdam. Ze besloot te solliciteren en werd aangenomen. Oud vond haar een 'moderne, zakelijke vrouw'.11 In Rotterdam werd Ida lid van architectenvereniging Opbouw, waarvan behalve Oud ook andere bekende moderne architecten en vormgevers lid waren. Oud was op dat moment bezig met voorbereidingen voor een rijtje 'goede en goedkope' arbeiderswoningen voor de Weissenhofsiedlung in Stuttgart. Bij de realisatie van de Weissenhofsiedlung stonden twee onderwerpen centraal: een nieuwe manier van bouwen en een nieuwe manier van wonen. Er werden nieuwe bouwconstructies en materialen toegepast en er werd gebruik gemaakt van serieproducten.12 Later zegt Ida daarover: 'zoo snel en zoo goedkoop mogelijk produceren- [......] blijkt een noodzakelijkheid en een tijdsverschijnsel.'13 Belangrijke begrippen bij de Weissenhofsiedlung waren licht, lucht, zon, ruimte, gezondheid en effici?ntie, zowel in de stedenbouwkundige opzet als in de woning zelf. Ida werkte als tekenares mee aan het ontwerp van de keuken voor de woningen van Oud. Ze zag tegen de opdracht op omdat ze volgens eigen zeggen geen flauw benul van huishouden had. Informatie over de 'Frankfurter K?che' van Grete Sch?tte-Lihotzky (1927), de rationeel georganiseerde keuken, hielp haar op weg. Oud was veeleisend. Er werd niet alleen gelet op effici?ntie maar ook op een absoluut evenwicht van verhoudingen en kleuren. Ida moest een wand tussen keuken en kamer, die bestond uit een deur met een doorgeefluik en een rooster, vele malen opnieuw tekenen omdat Oud niet tevreden was met de verhoudingen. Als meubilair koos Oud voor stoelen van ijzer die hij liet maken door een fietsenmaker. Er zaten zadelveren onder de zittingen om ze stabieler te maken. Voor Ida ging een wereld open zonder ornamenten, maar met zuivere vlakken en kleuren.14 In 1929 bezocht Ida de tweede conferentie van de CIAM, 'Die Wohnung f?r das Existenzminimum' in Frankfurt. Ze nam er kennis van de uitbreidingsplannen die Ernst May er realiseerde.Tussen 1925 en 1930 werden er ruim 11.000 woningen gebouwd. De principes van het Nieuwe Bouwen werden hier op grote schaal toegepast. Ook hier werkte Ida korte tijd mee aan de inrichting van de woningen.15
Een opleiding tot meubelmaker te Hellerau
Omdat Ida meende dat zij praktische ervaring miste, ging zij in 1930 naar de Deutsche Werkst?tten in Hellerau waar zij het vak van meubelmaker leerde. In 1897 waren de M?nchener Vereinigte Werkst?tten f?r Kunst in Handwerk opgericht en in 1898 de Dresdener Werkst?tten fur Handwerkskunst. Deze beide Werkst?tten fuseerden en vestigden zich in 1910 in Hellerau vlakbij Dresden. Uitgangspunt was het maken van goedkope en functionele kwaliteitsmeubelen voor de massa door gebruik te maken van de nieuwste technologie. Door gestandaardiseerde onderdelen te gebruiken, kon er snel geproduceerd worden.16 Ida bleef van 1930 tot 1933 in Hellerau. Vanaf 1932 schreef zij geregeld artikelen in het tijdschrift De 8 en Opbouw, dat na de fusie van de Rotterdamse vereniging Opbouw met de Amsterdamse architectengroep De 8 in het leven werd geroepen. De invloed van Hellerau is te merken in een stuk dat zij in 1932 schreef over de opleiding die een binnenhuisarchitect volgens haar zou moeten hebben. Ze pleitte voor praktisch onderwijs, dat alleen geleerd kan worden in de fabriek, de werkplaats. 'Wanneer hij [de interieurarchitect] van onderaf meedoet, het meubel in zijn onderdeelen leert bewerken en opbouwen, wanneer verschillende soorten hout en constructies door zijn handen gaan, krijgt hij een ander begrip van een meubel dan door het teekenen; het meubel wordt een plastisch levend stuk, en hij krijgt een 'Fingerspitzengef?hl' voor houtsoorten en hun bewerking'17
Amsterdam: de eerste rotan stoelen
Toen Ida terugkwam uit Duitsland vestigde zij zich in Amsterdam. Ida werd nu zeer actief binnen De 8 en Opbouw. Ze publiceerde niet alleen artikelen in het tijdschrift van de vereniging maar was daarvan ook enige tijd redactie-secretaris. Ook was zij mede-organisator van activiteiten voor de leden. In 1933 trouwt Ida met de Duitse Otto Falkenberg, een electrotechnisch ingenieur. Hun woning, aan de Amstel, bevond zich boven de rotanwinkel van F. de Ridder. De meubelen die daar verkocht werden, vond Ida zo lelijk dat zij besloot zelf betere te gaan ontwerpen.18 Zij vond met name dar er in de traditionele rotanstoelen te weinig gebruik gemaakt werd van de constructieve mogelijkheden van het materiaal. Zij ontwierp een aantal stoelen die binnen een jaar werden getoond op een tentoonstelling in Rotterdam die werd georganiseerd door Opbouw. Doel van de tentoonstelling was om een indruk te geven van de ontwikkeling van het Nieuwe Bouwen in Nederland. Er werd onder andere werk ingezonden door Brinkman en Van der Vlugt, Van den Broek, Duiker, Kramer en Van Ravesteyn.19 De bijdrage van Ida Falkenberg bestond uit een rotan eetkamerstoel en een ligstoel met een zitting van raffia. In het blad Binnenhuis werd door Paul Bromberg een lovende kritiek gegeven. Hij noemde de stoelen 'uitmuntende rottanmeubelen' met een voortreffelijke constructie'.20 Eind 1934 werd er in het Stedelijk Museum in Amsterdam de tentoonstelling De Stoel gehouden waar meubelen van Ida te zien waren. De tentoonstelling werd georganiseerd door de Nederlandse Vereeniging voor Ambachts- en Nijverheidskunst (V.A.N.K) met als doel de ontwikkeling van de stoel gedurende de laatste veertig jaar te laten zien. Het ging hierbij zowel om stoelen uit binnen- en buitenland. De bijdrage van Ida bestond uit de eerder genoemde eetkamerstoel en ligstoel plus nog twee andere stoelen. Bij een daarvan waren de armleuning, voorpoot en achterpoot gemaakt van ??n bamboestok. Ook dit keer werden de stoelen positief ontvangen. Mart Stam schreef in De 8 en Opbouw dat 'een voordeel van deze meubelen is dat ze er niet zo duur en kostbaar uitzien' en dat 'ze prettig en gemoedelijk zijn'. In datzelfde artikel noemt hij enkele voordelen van rotan. Zo was het volgens hem 'erg licht, het laat zich goed buigen en het is niet duur'. 21 In die tijd werd er in het tijdschrift een discussie gevoerd over de ontwikkeling van het stalen meubel. Ida schreef in De 8 en Opbouw een artikel 'Stalen of houten meubels'. Zij somde daarbij de voor- en nadelen van stalen meubelen op en droeg hout en rotan voor als goed alternatief.22 De stoelen die Ida in deze jaren maakte, werden uitgevoerd door de Firma Lang en Zn. uit Ulft. Ze experimenteerde met verschillende mogelijkheden en bracht een aantal belangrijke veranderingen aan in het uiterlijk en de constructie van rotanmeubels. Het was gebruikelijk om het geraamte van de stoelen niet zichtbaar te laten maar te omwikkelen met pitriet. Ida deed dat alleen daar waar het voor de constructie nodig was. Door de constructie te tonen, wilde zij waardering kweken voor het materiaal en het meubel in zijn primaire functie als gebruiksvoorwerp. Het geraamte werd zoveel mogelijk uit ??n stuk gebogen. In plaats van spijkertjes gebruikte zij koperen schroeven, die niet roesten of losgaan.23
De 8 en Opbouw
Van 1934 tot 1939 was de redactie van het tijdschrift De 8 en Opbouw gevestigd aan de Amstel 22 in Amsterdam, het huisadres van Ida Falkenberg. Zij was daardoor zeer nauw betrokken bij de activiteiten van de architectenvereniging, ook waar dat deelname aan de CIAM betreft. In 1936 werd de redactie van het tijdschrift gevormd door voormalige leden van de Groep '32, die zich in 1934 bij De 8 had aangesloten: Boeken, Zanstra, Sijmons, Kloos. Falkenberg was toen de enige van de 'oude garde'. Er ontstonden in deze periode meningsverschillen over de rol van de esthetica in de architectuur. Aanleiding daartoe was de verbouwing door Van Ravesteyn van het kantoor van De Tiel-Utrecht in Utrecht, waarin deze teruggreep op een nieuwe monumentaliteit en een barokke vormgeving introduceerde. Van Ravesteyn poneerde kort daarop een aantal stellingen, die op 5 en 6 juni 1937 tijdens het befaamde 'weekend in Avegoor' werden besproken. Een aantal architecten uit De 8 en Opbouw leverden een schriftelijke reactie, onder wie ook Ida Falkenberg-Liefrinck. In een aantal stellingen verdedigde zij daarbij fel de oude idealen van de Nieuw Zakelijken: '1. De doelmatigheid, de constructieve, economische en sociale problemen zijn de grondslagen waarop de esthetische (k?nstlerische) vormgeving van architectuur berust. 2. De mensch vraagt van de architectuur evenzeer als vroeger de meest volkomen verwezenlijking van de maatschappelijke (algemeen) heerschende inzichten en voorstellingen op economisch, sociaal en esthetisch gebied. 3. Daar de ec. en soc. inzichten zich voortdurend ontwikkelen en het beleven van kunst mede verandert moet de architect zich met alle problemen van de maatschappelijke structuur bezighouden, opdat hij in zijn werk inderdaad de maatschappelijke inzichten en voorstellingen kan uitbeelden. 4. Als reactie op een tijd waarin vormgeving en schoonheid uitsluitend de richtlijnen waren voor architectuur en de constructieve, ec. en soc. inzichten genegeerd werden, heeft de N.Z. deze grondslagen weer opnieuw ontdekt. Om deze inzichten te kunnen doorzetten, is een eenzijdig accentueren noodig geweest, hetgeen echter nooit de grooteren onder de architecten genoodzaakt heeft de 'schoonheid' in hun werk te verwaarlozen. 5. Wij kunnen de pioniers van de N.Z. dankbaar zijn dat zij de architectuur weer in juiste banen geleid hebben en ons de weg getoond hebben waarop een verdere ontwikkeling van de architectuur mogelijk is'.24 Ida Falkenberg-Liefrinck kreeg hierbij de onvoorwaardelijke bijval van Mart Stam. Ook hij sloot schoonheid aan het einde van het ontwerpproces niet uit, maar de basis voor architectuur lag ook voor hem in sociaal-economische voorwaarden en in de eisen die samenhangen met constructie en doelmatigheid. Na de discussies in Avegoor ontstond in 1938 opnieuw commotie rond het barokke raadhuisontwerp voor Huizen van A. Staal en S. van Woerden. Dit leidde tot een escalatie van de problemen binnen De 8. Ida Falkenberg-Liefrinck ondertekende in november 1938 een stuk, waaronder ook de namen van Niegeman, Bijhouwer, Elzas, Elte, La Croix, Beese, Stam, Limperg en Van Eesteren stonden. Zij distantieerden zich daarin van hen, die de neiging hadden 'alle wantoestanden en wanverhoudingen te negeren, te verbloemen of te ontvluchten in uiterlijke vormen' . Ook in daarop volgende bijeenkomsten zou Ida Falkenberg-Liefrinck de oude idealen van De 8 fel verdedigen en op de maatschappelijke taak van de architect blijven hameren. Zij mochten zich niet waardenvrij opstellen, maar moesten ook politiek stelling nemen. Een goede woning voor iedereen was in de eerste plaats een politiek probleem, pas daarna kwamen de economische voorwaarden. Ida Falkenberg-Liefrinck heeft door haar compromisloze houding zeker bijgedragen aan de uiteindelijke scheuring binnen De 8 en Opbouw.
Metz & Co.
Van de firma Metz & Co. kreeg Ida in 1938 de opdracht een interieur te ontwerpen voor een tentoonstelling ter gelegenheid van de opening van hun nieuwe pand aan de Keizersgracht in Amsterdam. Metz organiseerde vaak tentoonstellingen waarbij ze kunstenaars vroeg om nieuwe meubelen te ontwerpen. Doel was om moderne, lichte en praktische meubelen aan te bieden in plaats van de traditionele complete ameublementen.25 De firma was een belangrijke distributeur van het moderne meubel. De directeur van Metz vond een slaapkamer wel een geschikte opdracht voor een vrouw. Ida stelde echter voor om een zit- slaapkamer voor de alleenstaande werkende vrouw te maken, waarvoor zij toestemming kreeg.26 Ze richtte de ruimte praktisch in met meubelen die meerdere functies hadden. De bank kon gebruikt worden als zit- en slaapbank, de opbergkist als bijzettafeltje. De kast kon behalve als hang- en legkast door een spiegel en een uitklapbaar deel ook benut worden als toilettafel. Elmar Berkovich, die zelf al vanaf 1922 in dienst bij Metz & Co. was als binnenhuisarchitect, was onder de indruk van Ida's werk en vroeg haar meubelen voor Metz te komen maken. Dit was het begin van een langdurige samenwerking waarin zij voor Metz veel meubelen zou ontwerpen, alleen maar ook wel samen met Berkovich. In 1939 won Ida met haar rotan stoelen de eerste prijs van een meubelprijsvraag van het bedrijf Wohnbedarf in Z?rich in de categorie 'losse meubelen'. In dezelfde categorie won ze ook de vierde prijs met een rotan theewagen.27 Deze meubelen werden bij Metz verkocht, echter wel in een vereenvoudigde uitvoering omdat ze anders te duur zouden zijn. Ze gebruikte rotan niet alleen voor stoelen maar ook voor serveer- en theetafeltjes, wasmanden, paraplubakken, ontbijttafeltjes, fruit- en handwerkmandjes, ontbijttafeltjes en onderzetters. Hoewel Ida vooral met rotan werkte, ontwierp ze voor Metz opvallend veel houten meubelen. De meubelen waren eenvoudig van vorm maar wel vaak uitgevoerd in kostbare houtsoorten. Van enkele meubelen was de vormgeving wat meer opvallend, zoals een niervormig bankje. Ida koos voor deze vorm opdat de mensen op de bank elkaar konden aankijken.
Modelwoningen
Ida had sterke socialistische idealen. Ze wilde meubelen maken die voor een grote groep mensen te koop was. Dit kon echter niet waargemaakt worden bij Metz & Co.. De meubelen waren te duur voor de gewone man. Toch kon Ida bij Metz wel werken aan de ontwikkeling van het meubel voor de massa.28 Zij gebruikte goedkope materialen als rotan en zij trachtte meubelen multi-funcioneel te maken. Haar doelgroep bestond immers uit mensen die een kleine ruimte tot hun beschikking hadden, zoals arbeidersgezinnen en alleenstaanden. Zij zorgde ervoor dat de ruimte optimaal benut kon worden en dat er verschillende woonfuncties werden gecombineerd. Ook hield ze er rekening mee dat een compleet nieuwe woning voor veel mensen te duur was. Ze vond het geen probleem om oude en nieuwe meubelen te combineren. Om mensen te kunnen laten zien hoe zij met relatief weinig middelen toch een leuk interieur konden cre?ren, waren modelwoningen een goed medium. Een voorbeeld hiervan zijn de twee woningen die zij inrichtte in de Amsterdamse wijk Landlust. In 1937 stelde de woningbouwvereniging Labor een woning voor dit doel beschikbaar en een jaar later deed woningbouwvereniging de Algemeene hetzelfde. De nieuwe meubelen die Ida hier gebruikte, waren te koop in de Amsterdamse meubelzaak De Tijdgeest. De kosten van de woonkamer kwamen op f 192,10 en van de grote slaapkamer op f 102,85, inclusief vloerbedekking en gordijnen. De modelwoningen werden druk door het publiek bezocht. Ida was zelf vaak aanwezig om uitleg te geven. In De 8 en Opbouw stond: 'In ieder geval heeft de groote belangstelling van de bezoekers bewezen dat de bewoners van 'volkswoningen' volstrekt niet zo behoudend zijn, als waar de verkoopers van volkswinkels hen voor houden - dat ze integendeel open zijn voor vernieuwingen en verbeteringen, indien ze maar in de gelegenheid gesteld worden deze te leeren kennen'.29 En Petra Clarijs schreef in 1941 '... dat er bij de inrichting getoond wordt hoe er met betrekkelijk lelijke meubels toch een behoorlijk geheel ontstaan is'.30
Woonruimte voor alleenstaanden
Zoals gezegd schonk Ida niet alleen veel aandacht aan arbeiderswoningen maar ook aan de behuizing van alleenstaanden. Deze groeiende groep kampte met problematische woonomstandigheden. De meeste huizen werden gebouwd voor gezinnen, maar volgens Ida Falkenberg zouden er ook wooncomplexen voor 'jonggezellen' moeten zijn. Iedere bewoner zou dan zijn eigen woon-werkruimte moeten hebben, een kamer die overdag niet aan de slaap- en wasfunctie zou herinneren. Verder bepleitte ze een goede berging, een zithoek met gemakkelijke en lichtverplaatsbare meubelen, hygi?nische en warme vloerbedekking en indien dat mogelijk was centrale verwarming. In het blad Binnenhuis en Buitenwereld gaf zij vier voorbeelden van hoe zo'n eenheid er volgens haar uit zou kunnen zien.31 De kamers voor een verpleegster, een jonge lerares, een verkoopster en een schrijfster zijn praktijkvoorbeelden van Ida's werk als interieurarchitecte. Met een aantal dingen werd rekening gehouden. De wasgelegenheid werd aan het zicht onttrokken, bijvoorbeeld door een gordijn. De kamer diende een goede ruimtewerking te krijgen door het gebruik van effen of neutrale kleuren voor de wanden en de vloer. Het was niet nodig alle meubelen nieuw te kopen. Oude meubelen konden gewoon opgeknapt of veranderd worden en opnieuw gebruikt. Een ander project voor mensen die kleinbehuisd waren, was een woonhuis voor studenten. Eind jaren dertig werkte Ida met J. Niegeman aan verbouwingsplannen voor een villa in Utrecht. Het huis zou uitgebreid worden tot een studentenhuis. De studenten zouden de beschikking over een kamer met douche en toilettafel krijgen. Er zou een gemeenschappelijke eetzaal komen. Het huis zou worden geleid door een echtpaar, waarvan de vrouw kon koken.
De 'Pendrecht'
Eind jaren dertig schreef Ida Falkenberg in De 8 en Opbouw een artikel over de inrichting van passagiersschepen. Aanleiding was de net voltooide Nieuw Amsterdam.32 Aan dit grootste en nieuwste passagiersschip van de Holland Amerika Lijn hadden een aantal architecten van het Nieuwe Bouwen meegewerkt zoals Merkelbach, Karsten en Duiker. Ida Falkenberg zou een jaar later zelf ook verantwoordelijk zijn voor de inrichting van een schip: het motortankschip Pendrecht. Haar opdracht was het inrichten van het dagverblijf van de kapitein en de eetsalon van de officieren. Het dekhuis van de Pendrecht was niet rechthoekig maar had een halfronde vorm. Het gevolg was dat de ruimten die zich in dat dekhuis bevonden ook een ronde vorm kregen. Voor de meubelen en de betimmeringen werd kersenhout gebruikt. De zittingen van de stoelen en bank waren groen net als de vloerbedekking. Boven de wandbetimmeringen bevonden zich fotomontages van Eva Besny?. Otto Falkenberg was verantwoordelijk voor de verlichting. Het vertrek van de kapitein bestond uit een dagverblijf en een slaaphut. De eerstgenoemde ruimte was verdeeld in drie gedeelten. Aan de ene kant stond het bureau, met een gebogen blad, dat aan een kant aan de muur bevestigd was. In het midden van de kamer stond een buffetkastje met een zitje. Aan de andere kant stond een bank met een tafeltje en stoelen. De meubelen in deze ruimte waren van mahonie, een dure houtsoort. Het kleurenschema bestond uit de kleuren lichtroze, rood en grijs. Om meer eenheid in de ruimte te krijgen werden de lampen in beide vertrekken in het plafond weggewerkt en werd de verwarming achter de plinten aangebracht.33 Het commentaar van Van Loghem op de inrichting van de Pendrecht was: 'Wie constateert op welk een grondige wijze zij indeeling en plaatsing der meubelen heeft overwogen, hoe zij alles wat chabloneachtig is in dergelijke inrichtingen, heeft ter zijde gesteld en vervangen door logisch afgestemde doelmatigheid ten opzichte van elke handeling van de kapitein in den langen reeks van dagen, hij kan niet anders dan haar geluk wenschen met de resultaten'.34
Glas
Eenmalig hield Ida zich bezig met het ontwerpen van glas. Zij werd door Copier gevraagd mee te werken aan de tentoonstelling 'Het Glas' die in 1940 in het Stedelijk Museum in Amsterdam gehouden zou worden. Het thema was de samenwerking tussen de Glasfabriek Leerdam en de kunstenaars. Speciaal voor de tentoonstelling werd er een nieuwe kleur ontwikkeld, staalblauw. Ida kon kiezen om unica te ontwerpen of glas dat seriematig geproduceerd zou worden. Ze koos voor de laatste optie en maakte onder andere een glasservies, vazen en karaffen.35
Heiloo
De laatste grote opdracht die Ida voor de oorlog kreeg, was voor de Psychiatrische Inrichting in Heiloo. Het ging hierbij om de inrichting van de hal, bibliotheek, kamer van de geneesheer-directeur, de bestuurszaal en de patientenkamers eerste en tweede klas. Zij diende rekening houden met de 'bijzonder psyche' van de gebruikers en de bestaande toestand van het gebouw. Om verwondingen bij de pati?nten te voorkomen, werden de meubelen vastgezet en de hoeken afgerond. Het klassenverschil bij de patientenkamers kwam tot uitdrukking in het materiaalgebruik. Bij de kamers eerste klasse werden voornamelijk houten meubels gebruikt en bij de tweede klasse rotan. Ook hier probeerde Ida een klein ruimte zo effici?nt mogelijk in te delen. Het zijn gecombineerde woon- en slaapkamers, waar geprobeerd is de indruk van een ziekenhuiskamer te vermijden. De materialen die gebruikt werden, rotan en hout, gaven de kamers een huiselijke sfeer. De wanden waren niet wit maar creme, beige en groen. De kasten en wasbak werden ingebouwd, en het bed was opklapbaar. Door het verschillend kleurgebruik en de verschillende wijzen van indelen en meubileren kregen de kamers hun eigen karakter. Voor de hal gebruikte Ida ook rotanstoelen. Maar de overige vertrekken kregen een meer luxueuze uitstraling. In de bibliotheek en bestuurskamer waren door de architecten van het gebouw, H. Thunnissen en J.H. Hendricks, betimmeringen aangebracht. De meubelen werden gemaakt van blank eiken en bekleed met rood- en donkerbruin leer. De gordijnen in de bibliotheek waren groen en in de bestuurskamer rood.36 Het bureau in de kamer van de geneesheer-directeur kreeg een halfronde vorm.
'In Holland staat een huis'
In 1939 had het gemeentebestuur van Amsterdam het idee om een grote tentoonstelling van moderne interieurkunst te organiseren, onder de naam In Holland staat een huis. Er werden (interieur)architecten uitgenodigd om een ontwerp te maken voor een bepaald onderwerp. Deze zouden dan door een commissie beoordeeld worden. Enkele van de onderwerpen waren: een kinderspeelkamer, woonkamer, boekwinkel, reisbureau, leeszaal in een museum en een hotelslaapkamer. Niegeman kreeg de architectonische leiding over de tentoonstelling, die in het Stedelijk Museum gehouden zou worden. Door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd de tentoonstelling uitgesteld. De meeste ontwerpen waren echter al klaar, waardoor men zich een goed beeld van de tentoonstelling kan vormen. Ida Falkenberg-Liefrinck was verantwoordelijk voor twee interieurs, kasten en een hotelkamer. Het educatieve karakter van de tentoonstelling wordt duidelijk wanneer men de ontwerpen van de twee interieurs ziet. Er is een slecht ingerichte kamer en een kamer bestaande uit dezelfde meubelen, maar dan op een doelmatige manier ingericht en verlicht. In het slechte interieur gaat er veel ruimte verloren door de plaats van de tafel in het midden van de kamer en een bank die schuin tegen de muur staat. Bij het goede interieur is de bank tegen de lange muur gezet. De tafel met stoelen staat aan de andere kant van de kamer tegen de muur. Elders op de expositie zou een opstelling met diverse kasten, als voorbeelden van goede bergruimte, overig meubilair en gordijnstoffen te zien zijn, van de hand van Ida Falkenberg-Liefrinck.37 Zij maakte tevens het ontwerp voor een functionele hotelkamer. Deze eenpersoonskamer had een balkon en een badkamer. Bij de inrichting had Ida rekening gehouden met handelingen die verband houden met het in- en uitpakken van de koffer. Het kofferbankje, kast en bed zijn zo geplaatst dat er minimaal gelopen hoeft te worden. De kast is in de muur ingebouwd zodat het geen obstakel in de kamer is.38 In de bezettingstijd ging de tentoonstelling in een sterk gewijzigde vorm toch door. Er werd nu een overzicht gegeven van het interieur vanaf 1800. Ida Falkenberg-Liefrinck schreef in De 8 en Opbouw een recensie. Volgens haar zou de tentoonstelling niet minder dan een expositie met uitsluitend eigentijds meubilair bijdragen aan de verdere ontwikkeling van de interieur- en meubelkunst. Men kon er zien hoezeer het interieur de uitdrukking is van een bepaald tijdvlak.39
Duitsland 1945-1949
Tijdens de bezetting verwierf Ida Falkenberg in het verzet de geuzennaam Liv. Haar man bracht de oorlog in een Duits concentratiekamp door. Na de oorlog ging Ida Falkenberg-Liefrinck naar Duitsland om zich met haar man te verenigen. Deze bevond zich in de Sovjet-bezettingszone waaruit later de DDR zou ontstaan. Otto Falkenberg had daar de leiding van het Ambt f?r Betreibsneuordnung, een instantie die onteigende bedrijven aan de nieuwe orde moest aanpassen. Voor Ida Falkenberg-Liefrinck was het een geweldige tijd. Ze ging op in het enthousiasme van de werderopbouw en kreeg veel opdrachten. Er was een groot gebrek aan middelen om te bouwen. Maar door fantasie en motivatie kon er zelfs 'met een touwtje en een beetje spuug' wel wat bereikt worden. Haar eerste grote opdracht was het inrichten van de eerste naoorlogse Leipziger Messe.40 Ze stelde hiervoor een architectencollectief samen, bestaande uit Bauhausarchitecten. Omdat veel gebouwen een nieuwe functie kregen, was er ook op dat gebied veel werk voor architecten. Zo werkte Ida van 1948-1949 aan het interieur van de Parteihochschule Karl-Marx in Klein-Machnov vlakbij Berlijn. De meubelen, die eenvoudig van vorm waren, werden gemaakt door de Deutsche Werkst?tten in Hellerau. Andere architecten die aan dit project meewerkten, waren de Duitse architecten S. Selmanagic en H. Hirsche. Een soortgelijk project was de Wirtschaftsschule in Plessow. Ook hier werd een bestaand gebouw, een slot, aangepast aan een nieuwe functie, een school. Het complex kreeg een aanbouw van de hand van architect E. Collein en werd ingericht door Ida Falkenberg.41 Bij de inrichting van studentenkamers kwam Ida's ervaring met het inrichten van kamers voor alleenstaanden goed van pas. Er waren weinig middelen dus er moest praktisch worden gewerkt. Zo maakte Ida, om zo weinig mogelijk hout te gebruiken, een bureautje dat aan een kant leunde op de vensterbank. Onder de vensterbank werd een boekenkast gemaakt. Het bed deed overdag dienst als bank. Ook deze meubelen werden gemaakt door de Deutsche Werkst?tten in Hellerau. Een andere opdracht die Ida Falkenberg kreeg, was de inrichting van het huis van de schrijver Friedrich Wolf (1948). Deze woonde in Lehnitz, iets ten noorden van Berlijn. Ida verzorgde de gehele inrichting van het huis. De kasten doen sterk denken aan de meubelen die zij maakte voor Metz & Co.. De gehele inrichting van het huis is nog bewaard gebleven. Ze kreeg ook opdrachten voor het inrichten van de riante huizen van de schrijvers Arnold Zweig en Wolfgang Langhoff. Deze plannen zijn echter nooit uitgevoerd.42
De DDR
Toen in 1949 de DDR tot stand kwam, liep het aantal opdrachten voor Ida Falkenberg terug. De zuiveringen begonnen en ze werd te kosmopolitisch en formalistisch gevonden. Door het werk van haar man, die diplomaat werd, verhuisden ze eerst naar Praag en een paar jaar later naar India en Moskou. In Moskou kreeg ze voor het eerst sinds lange tijd weer een baan. Ze werd informatie-medewerkster. Dit hield in dat ze uit buitenlandse tijdschriften documentatie moest verzamelen die interessant was voor de architecten die betrokken waren bij de opbouw van Oost-Berlijn.43 Het echtpaar Falkenberg bleef in Moskou tot het begin van de jaren zestig. In die tijd schreef ze als correspondent ook enkele artikelen voor het tijdschrift Deutsche Architektur over de nieuwe architectuur in Rusland. Na haar terugkeer in Oost-Berlijn in 1962 heeft Ida Falkenberg niet meer gewerkt als interieurarchitecte. Ze bleef wel enkele tijd hetzelfde werk doen als wat zij in Moskou deed, namelijk het verzamelen van documentatie over architectuur die bruikbaar kon zijn bij de opbouw van Berlijn.
Noten 1 Petra Faber, Ida Falkenberg-Liefrinck, interieur-architecte. Haar eigen plaats binnen het Nieuwe Bouwen (doctoraalsciptie Kunsthistorisch Instituut, Universiteit Utrecht), Utrecht 1988, 4. 2 Faber, 7-8. 3 Titus M. Eli?ns, Marjan Groot, Frans Leidelmeijer, Kunstnijverheid in Nederland 1880-1940, Bussum 1997, 233. 4 Faber, 8. 5 Interview met Ida Falkenberg-Liefrinck door Eveline Holsappel, Berlijn, 29-02-2000. 6 Hans Olink, 'Dat is mijn man bespaard gebleven', Trouw 1999, 21. 7 Interview 29-02-2000. 8 Karin Gaillard, Labor Omnia Vincit: een idealistische meubelfabriek 1910-1935, Arnhem 1991, 56. 9 Interview met Ida Falkenberg-Liefrinck 29-02-2000. 10 Gaillard, 56. 11 Interview 29-02-2000. 12 Faber, 9. 13 Ida Falkenberg-Liefrinck, 'Zakelijkheid, opgave der architecten', De 8 en Opbouw 3 (1932) 261. 14 Olink, 21. 15 Jitta Reddingius, 'Ida Falkenberg-Liefrinck', in: Nio Hermes, Intra Muros. Twaalf Nederlandse interieurarchitectes van deze eeuw, Amsterdam 1992, 26. 16 Faber, 15. 17 Ida Liefrinck, 'Binnenarchitekt en woninginrichting', De 8 en Opbouw 3 (1932) 220-222. 18 Reddingius, 26. 19 W. van Gelderen, 'W. van Gelderen over de opbouw-tentoonstelling', De 8 en Opbouw 5 (1934) 103-104. 20 Paul Bromberg 'Creaties van eigen bodem', Binnenhuis 16 (1934) 147. 21 red. [Mart Stam], 'De stoel gedurende de laatste 40 jaar', De 8 en Opbouw 6 (1935) 1-8. 22 I. Falkenberg-Liefrinck, 'Stalen of houten meubels?', De 8 en Opbouw 6 (1934) 9. 23 I. Falkenberg-Liefrinck, 'Rieten en rottan meubelen', Binnenhuis en Buitenwereld 17 (1935) 251-253. 24 'De dicussie in Avegoor', in: Erik de Jong, Hoos Blotkamp, Nederlandse Architectuur. S. van Ravesteyn, Amsterdam 1977, 93. 25 Faber, 28. 26 Interview 29-02-2000. 27 'Uitslag meubelprijsvraag wohnbedarf A.G. - Z?rich', De 8 en Opbouw 11 (1940) p. 168. 28 Petra Timmer, Metz & Co. Amsterdam, Den Haag. De creatieve jaren, Rotterdam 1995, 124. 29 Ida Falkenberg-Liefrinck, 'De inrichting van arbeiderswoningen', De 8 en Opbouw 9 (1938) 15-17. 30 Petra Clarijs, Een eeuw Nederlandse woning, Amsterdam 1941, 192-193. 31 I. Falkenberg-Liefrinck, 'E?nkamerwoningen', Binnenhuis en buitenwereld 17 (1935) 189-192. 32 Ida Falkenberg-Liefrinck, 'Over inrichting van passagiersschepen', De 8 en Opbouw 9 (1938) 112-118. 33 Faber, 40-41. 34 J.B. van Loghem, 'Het motortankschip "Pendrecht"', De 8 en Opbouw 10 (1939) 124. 35 Faber, 44-45. 36 A. Elzas, 'Interieurs van de St. Wilibrordusstichting te Heiloo', De 8 en Opbouw 11 (1940).116-121. 37 Redactie [K. Limperg, B. Merkelbach,W. Thijnen], 'In Holland staat een huis', De 8 en Opbouw 12 (1941) 15-17. 38 Redactie[K. Limperg, B. Merkelbach, W. Thijnen], 'In Holland staat een huis', De 8 en Opbouw 12 (1941) 44. 39 Ida Falkenberg-Liefrinck, 'Tentoonstelling "In Holland staat een huis"', De 8 en Opbouw 12 (1941) 108. 40 Olink, 21. 41 Hiltrud Ebert, Das Ungeliebte Erbe. Ein Situationsbericht ?ber die Deutschen Werkst?tten Hellerau in den 50er Jahren, Dresden, 4-7. 42 Interview 29-02-2000. 43 Olink, 21.
|