|
Essay:
|
Th.J.J. Bosch (1940-1994) Bosch' ontwikkeling De vroege jaren Theodorus Johannes Bosch werd op 24 februari 1940 geboren als zoon van Cornelia Luteyn en Cornelis Bosch. Zijn zus was toen zeven jaar oud en in 1947 werd het gezin nog eenmaal uitgebreid met een tweede zoon. Zijn oud ... meer
Th.J.J. Bosch (1940-1994)
Bosch' ontwikkeling
De vroege jaren
Theodorus Johannes Bosch werd op 24 februari 1940 geboren als zoon van Cornelia Luteyn en Cornelis Bosch. Zijn zus was toen zeven jaar oud en in 1947 werd het gezin nog eenmaal uitgebreid met een tweede zoon. Zijn ouders stonden bekend als aardige, gastvrije, behulpzame mensen met een sobere levensstijl en een streng Christelijke geloofsovertuiging. Zij waren overtuigd Zevende Dag-Baptisten en dat betekende een bijbelvast leven met Sabbat vanaf vrijdagavond. De zaterdag was bestemd voor kerkbezoek. Winkelen of gebruik maken van het openbaar vervoer waren dan uit den boze. Theo Bosch repte later met geen kwaad woord over het puriteinse maar wel heel warme milieu waarin hij opgroeide, al was hij zijn athe?stisch ingestelde vrouw Dini wel dankbaar dat ze hem op 'een ander spoor' bracht.(1) De jeugd werd doorgebracht in oorlogstijd en tijdens de wederopbouwjaren in de kleurrijke Amsterdamse Zeeheldenbuurt, destijds een woonomgeving voor de beter betaalde arbeiders en middenstanders. Later verwees Bosch herhaaldelijk naar de levendigheid en kleinschalige functiemenging van de buurt, als voorbeeld van het soort stedelijk leven dat hij zag wegebben uit de Nederlandse samenleving. Vader Bosch was voor de oorlog modelmaker bij het Werkspoor en startte na de bevrijding als timmerman een eigen bedrijfje voor huisraad in de Barentzstraat, met een werkplaats en een etalage. Theo was actief en leergierig, al werd de combinatie van halve dagen werken en halve dagen school geen succes. Hij bleef na het eerste jaar zitten en hield zijn MULO-opleiding toen voor gezien. Met goed gevolg doorliep hij vervolgens de Ambachtsschool met als hoofdvakken ??n jaar timmeren en twee jaar meubelmaken. Met name voor het vaktechnisch tekenen bleek hij veel aanleg te hebben. Gezien zijn opleiding en de gewoonte in die tijd, werd verwacht dat hij in de voetsporen van zijn vader zou treden. Al ging Theo vaak mee op karwei met hem, hij had andere ambities en vanaf zijn vijftiende gaf hij aan dat hij architect wilde worden. "Als kind woonde ik vlakbij een architectenbureau. Daar stond ik vaak met mijn neus tegen de ruiten gedrukt te kijken naar die mensen die bezig waren achter tekentafels en dacht: 'dat wil ik later ook.' " (2) Wat betreft zijn opleiding had hij nog een lange weg te gaan, al bleek dat de vaktechnische kennis van de Ambachtsschool een solide basis onder zijn ontwikkeling vormde.
Theo Bosch kreeg zijn eerste baantje op het architectenbureau Nipot in 1956. Dat begon met koffiezetten en tekeningen naar de lichtdrukker brengen. Bosch verstopte zich niet en al vrij snel werd zijn tekenvaardigheid en technisch inzicht benut en mocht hij kozijndetails tekenen. Hij werkte vervolgens bij diverse Amsterdamse bureaus en doorliep intussen de avond-UTS, de voorloper van de MTS. Na een onderbreking van 21 maanden diensttijd als onderofficier, voltooide hij in 1963 de vijfjarige UTS-opleiding. Dit diploma volstond echter niet om toegelaten te kunnen worden op de Academie voor Bouwkunst voor het Voortgezet Bouwkunde Onderricht, maar op basis van de kwaliteit van zijn tekeningen werd hij op voorspraak van Herman Hertzberger toch aangenomen. Bosch kwam terecht in een omgeving waarin hij voor het eerst kennis maakte met de internationale moderne architectuur. Hij maakte ook kennis met het huwelijksleven. Hij was opgegroeid met Dini van Heijningen vanaf de periode van de Smalle Pad-School (Kleuterschool en Lagere School). Ze speelden veel samen op straat en geen van beiden had ooit een andere relatie gehad toen zij trouwden. Nadat al vrij snel dochter Puck en zoon Bas werden geboren en de tekentafel flink wat ruimte in beslag nam, werd hun Amsterdamse woonboot te klein. Een timmerman in modemagazijn Gerzon, waar Bosch een verbouwing uitvoerde voor architectenbureau Klein, wees hem erop dat er in het even ten noorden van Amsterdam gesitueerde Ransdorp, drie huizen te koop stonden. Bosch liet er geen gras over groeien en de verhuizing naar Ransdorp volgde na de verkoop van de door Dini's ouders beschikbaar gestelde woonboot. Veel tijd voor het gezinsleven had Bosch niet. Overdag maakte hij als bouwkundig tekenaar veel uren voor een bescheiden loon en de avond werd grotendeels doorgebracht op de Academie voor Bouwkunst. Bosch werkte bij Willem Klein, Van der Steur en Snieder en vervolgens weer bij Willem Klein. Op dat bureau maakte hij werk-, presentatie- en detailtekeningen, vooral van villas. Al lag zijn interesse veel meer in de problematiek van de vernieuwing van oude (Amsterdamse) woonwijken, zijn gedrevenheid leed er niet onder.
Op zijn zesentwintigste voltooide hij zijn opleiding Middelbaar Bouwkunde Onderricht aan de Academie met een ontwerp voor een watersportcentrum in Friesland. Van zijn mentor Dick Apon had hij vooral geleerd waar Apon bekend om stond: studenten in praktische zin voorbereiden op een loopbaan als architect. Tijdens de eerste Academiejaren was zijn cultuurhistorische horizon drastisch verbreed, al was het een voorproefje van wat hem nog te wachten stond. Hij koesterde al snel bewondering voor het werk van Duiker en Mackintosh. Ook de Jugendstil zou hem blijvend inspireren: door de openheid, het gebrek aan dogma's en de aandacht voor het detail. Meer dan Dick Apon was Academie-docent en beeldredacteur van het tijdschrift Forum Joop Hardy bepalend voor zijn vorming. Hardy maakte grote indruk op Theo Bosch en veel van zijn medestudenten. Later verklaarde Bosch dat de sterk visueel ingestelde Hardy zijn observeren activeerde en zijn ogen opende voor de relaties tussen verschillende culturen.
Het bureau Van Eyck
Theo Bosch voelde zich op het bureau van Klein niet op zijn plek en solliciteerde in 1965 bij het bureau van Verster. Op het moment dat hij daar eigenlijk al was aangenomen, hoorde hij via via dat de bekende architect Aldo van Eyck dringend iemand nodig had voor de uitwerking van het ontwerp van de Pastoor Van Arskerk in Den Haag. Piet Blom en Herman Hertzberger hadden Bosch bij Van Eyck aanbevolen. Hertzberger had zelfs wat druk op Bosch uitgeoefend en gesteld: "als je dit niet aanneemt, mag je nooit meer bij mij komen werken." (3) Later verklaarde Bosch: "ik stond niet te trappelen bij een als lastig bekend staande beroemdheid te gaan werken. Ik begon dan ook heel argwanend." 4 Dat mag zo geweest zijn, maar zijn vrouw Dini herinnert zich dat hij diep in zijn hart apetrots was, dat juist hij die kans kreeg. (5) Aldo van Eyck had korte tijd een medewerker in dienst gehad, maar die was op tragische wijze verongelukt. Bosch had het voorrecht de eerste offici?le medewerker te worden van het enfant terrible van de Nederlandse architectuur. In 1954 had Herman Hertzberger aangeboden om praktisch werk te doen bij Van Eyck, maar was door Hannie van Eyck heengezonden met de mededeling dat ".....er eigenlijk geen bureau was." (6) Van Eyck deed er zelf gekscherend over toen hem begin jaren zestig na de bouw van het Burgerweeshuis werd gevraagd, hoeveel medewerkers zijn bureau telde. "Ik heb geen medewerkers die tekeningen maken. Dat doe ik zelf veel te graag!" (7) Vijf jaar later werd dat hem blijkbaar teveel toen naast het Van Arskerk-project ook het Paviljoen Sonsbeek in uitvoering was.
Theo Bosch en Aldo van Eyck werkten samen vanaf 1965 tot in 1984. Bosch noemde het later "een soort huwelijksperiode met goede en minder aangename kanten." (8) Als mens en ontwerper waren zij nagenoeg tegenpolen. Dat het zo lang goed ging, is voor een belangrijk deel toe te schrijven aan de nuchtere houding die Bosch ten opzichte van Van Eyck aannam. Hij respecteerde hem als architect maar elke vorm van idolatrie was hem vreemd. In die jaren trok het grotendeels in het teken van zijn werk staande leven dat Bosch leidde, een zware wissel op het huwelijksleven. Theo en Dini groeiden uit elkaar, ondanks de gezellige feesten op zaterdagavond, met medestudenten, docenten en kunstenaars. Lucien Lafour, Piet Blom en de fotograaf Koen Wessing waren meestal van de partij. Tussen Lucien Lafour en Theo Bosch was een hechte vriendschap ontstaan. Zo hecht, dat Lafour nog steeds spreekt over zijn 'maatje'. Het gezin Bosch bezocht de Lafours zelfs in Suriname, terwijl de ontmoetingen met de Van Eycks buiten werktijd beperkt bleven tot enkele incidenten.
Toen de bouw van de Van Arskerk tijdelijk werd stilgelegd door een bestedingsbeperking, werd Theo Bosch voor enkele maanden uitgeleend aan het bureau Snieder en Duivenvoorde. Met de hervatting van de bouw mocht Theo Bosch echter weer heen en weer pendelen tussen Ransdorp en Loenen aan de Vecht. Hij leverde een belangrijke bijdrage aan het Van Arskerk-project, met ontwerpdetails. Van Eyck maakte hierbij gebruik van zijn vormgevoel en bouwtechnisch inzicht, met name in houtconstructies. Een tijd lang bleef Bosch de enige medewerker, totdat in 1968 Guus Knemeijer, opzichter bij de Van Arskerk, als tekenaar in dienst kwam. Knemeijer herinnerde zich dat zij niet op stel en sprong vrienden werden en Bosch eerst de kat uit de boom keek, om zeker te zijn dat hijzelf niet de tweede viool zou gaan spelen. (9) Bosch was dan wel aangenomen als tekenaar, maar hij kreeg de ruimte om mee te denken over projecten. Dat was ook onvermijdelijk, omdat Bosch vaak zelfstandig aan projecten moest werken als Van Eyck weer eens een wereldreis maakte. Anderzijds wilde Van Eyck graag het maximale uit zijn 'leerlingen' halen. Volgens Knemeijer heerste op het bureau een ontspannen en ook inspirerende sfeer, ook toen eind jaren zestig werd uitgebreid naar een team van vijf mensen. Conform de principes van Van Eyck werd het geen omvangrijk bureau, maar gaandeweg verzamelde hij niet-universitair geschoolde architecten om zich heen die naam zouden maken, onder wie Paul De Ley en Lucien Lafour. Lafour, die naar eigen zeggen toen een kasbah-achtige architectuur ontwikkelde, kende Van Eyck als ontwerpdocent aan het Amsterdams Instituut voor Kunstnijverheid. Tijdens een van de eerste confrontaties had Lafour de oplossing voor een lastige, door Van Eyck bedachte opgave ontleend aan Sch?ner Wohnen. Zonder het artikel te kennen stelde Van Eyck resoluut: "Dat kan je nooit bedacht hebben. Dat komt uit een tijdschrift." (10) Van Eyck stond er als docent om bekend dat hij in beginsel het concept aanvaardde van degene die hij moest beoordelen. Het bijzondere was dat hij dit concept vaak scherper doorgrondde dan de student in kwestie.
Ondanks de ontwerpvrijheid voor zijn medewerkers, kwamen de eerste jaren de meeste idee?n of radicale planwijzigingen van Van Eyck zelf, meestal nadat hij zich thuis had teruggetrokken. In 1969 ontstond er onenigheid over de taakverdeling tussen Van Eyck en Bosch, die zich steeds meer ging manifesteren. Na een woordenwisseling werd Bosch in een rustige periode ontslagen, met als handdruk een prijsvraagontwerp voor een scholencomplex in Duitsland. Hij werkte er thuis aan, bijgestaan door Lucien Lafour. Toen Van Eyck werd uitgenodigd in een besloten prijsvraag het wederopbouwplan voor de Amsterdamse Nieuwmarkt te reviseren, werd Bosch in allerijl teruggehaald. Guus Knemeijer had hier op aangedrongen, omdat "als het even klikte, ze zo goed met elkaar overweg konden, zeker in de grote projecten." (11) Bosch werd onmisbaar toen bleek dat de gemeente Amsterdam voor de Nieuwmarkt definitief in zee wilde gaan met het bureau Van Eyck.
Aldo van Eyck en Theo Bosch Architecten
In de rumoerige periode van het Nieuwmarktproject voelde Theo Bosch zich goed in zijn element. Dit bracht definitief verandering in de verhouding met Van Eyck. Nadat het eerste plan gemaakt was door een gezamenlijke krachtsinspanning van het bureau, kwamen de nieuwe idee?n steeds meer van Bosch. Volgens Guus Knemeijer nam dit de vraagtekens over Bosch definitief weg bij aartstwijfelaar Van Eyck Op 1 oktober 1970 werden zij vennoten en in 1979 werd de vennootschap omgezet in een besloten vennootschap. Het was geen onverstandige zet. Er was veel werk, met name door de Nieuwmarkt en van Eyck was dan wel creatief, maar niet altijd even productief. Bovendien raakte hij op leeftijd en was vaak ziek. Tijdens zijn eerste langdurige afwezigheid had Bosch ongeveer een jaar de leiding binnen het bureau. Bosch en de medewerkers verzetten bergen werk, toen Van Eyck ook de volgende twee jaar nauwelijks in staat was om te werken. In de loop van de jaren zeventig groeide het bureau naar 14 ? 15 medewerkers. Er werkten later bekend geworden architecten als Jo Coenen, Martin Jansen (OD205), Rudy Uytenhaak, Peter Vermeulen (van Mourik Vermeulen Jansen Schoonhoven), Hans Wagner en Hans van Heeswijk. Met de genoemde ontwerpers Lucien Lafour, Paul De Ley en ook Dik Tuinman en Freddy van Trikt beschikte het bureau over een groot ontwerperspotentieel. De eerste jaren van de vof waren zwaar voor Bosch, vooral omdat hij in de avonduren de studie Hoger Bouwkunst Onderricht aan de Academie van Bouwkunst volgde. Na talloze malen uitstel vanwege drukte binnen het bureau, studeerde hij in 1973 af bij Hans Davidson op een 'woningdak'-project in de Jordaan. Het was een goede opmaat voor het Palmdwarsstraat-project in de buurt, zowel door de stimulerende rol van Piet Blom als vanwege het feit dat zijn mentor Davidson het bestemmingsplan voor de Jordaan had gemaakt.
De samenwerking met Van Eyck verliep goed wat betreft het formuleren van de basisidee?n. In de vertaling naar een concreet plan had Bosch echter moeite met de vrijheid die van Eyck in het ontwerpproces incorporeerde. Bovendien wilde Van Eyck, ideologisch gezien, 'kunstwerken' en Bosch gebouwen die in eerste instantie goed functioneerden. In de uitwerking van plannen kwam de contradictionaire ontwerpmethode naar boven. Van Eyck bleef tot het laatst toe veranderen, terwijl Bosch zelden afweek van een eenmaal gekozen concept en daarmee wel veel sneller dan Van Eyck de uitvoeringsfase bereikte. Ook in de omgang met de medewerkers bleek het grote verschil in benaderingswijze. Er waren verschillende manieren waarop tekeningen binnen het bureau werden besproken. Van Eyck wilde de tekeningen altijd mooier maken, ging daarbij voorbij aan de tekenaar in kwestie en nam het graag zelf ter hand. Bosch sprak de tekenaar altijd aan alsof hij degene was die het ontwerp maakte en vroeg door naar de betekenis van de elementen en of de oplossing genoeg doordacht was. De verschillende methodes en de eraan verbonden discussies werden door de medewerkers als constructief ervaren. Ook werd het gewaardeerd dat in drukke periodes Bosch en Van Eyck het ontwerpwerk delegeerden. Maar wat aanvankelijk met de mantel der liefde werd bedekt, stak gaandeweg de kop op: meer en meer stak het Bosch dat hij wel de ruimte kreeg als ontwerper, maar niet de honneurs, al sprak hij daar weinig over, hooguit tijdens een borrel. Desondanks verdedigde hij Van Eyck altijd tegen de buitenwereld. Hij stak niet onder stoelen of banken waar hij daadwerkelijk geschoold was, maar als architect maakte hij zich los van Van Eyck. Dat uitte zich ook meer en meer binnen het bureau waar een verdeling werd gemaakt in de soort opgaven. Bosch nam de woningbouwprojecten voor zijn rekening en Van Eyck opgaven in de utiliteitsbouw. De stedenbouwkundige uitgangspunten werden in samenspraak geformuleerd en daarin vonden de companen elkaar veel makkelijker dan in de architectonische uitwerking ervan.
De tomeloze gedrevenheid waarmee Bosch werkte, kon hij niet investeren in het revitaliseren van zijn huwelijk. Tijdens de jaren waarin de wederopbouw van de Nieuwmarkt vorderde, groeiden Theo en Dini verder uit elkaar. Theo Bosch verliet het gezin en hield er sindsdien verschillende vriendinnen op na. (12) Het vrijgezellenbestaan paste beter in zijn levenswijze. Ook met Van Eyck kwam het tot een breuk. Het auteurschap van het ontwerp van de Letterenfaculteit was de steen des aanstoots. Van Eyck continueerde het bureau met zijn vrouw Hannie die ook na zijn dood tot op de huidige dag de scepter zwaait binnen het bureau. Ondanks het feit dat Theo Bosch ervaring had als architect die de eindverantwoordelijkheid kon dragen, gaf het op eigen benen staan een soort koude douche-ervaring. "Het valt me nogal moeilijk om na 15 jaar met Aldo gewerkt te hebben, precies onder woorden te brengen welke betekenis dit voor mij heeft gehad. Het is gewoon deel gaan uitmaken van mijn eigen aanpak, het zit als een soort gefilterde laag in je eigen architectonisch vermogen. Je ervaart het bijna als iets dat bij jezelf hoort. Het is ook mogelijk dat Aldo juist die dingen in mij heeft geactiveerd, die al aanwezig waren....." (13) Enige tijd na de scheiding kon hij een en ander scherper relativeren: "Aldo leerde je, zonder ooit te doceren, fundamenteel na te denken over architectuur. Toen ik bij Aldo begon te werken, kreeg ik voor het eerst het gevoel dat ik echt met het vak bezig was. En dat gevoel had ik niet bij de bureaus waar ik daarvoor had gewerkt. Daar werd eigenlijk niet zo fundamenteel nagedacht over hoe een gebouw dient te zijn, en wat het zou kunnen betekenen voor de mensen die erin leven en werken; over wat je ervaart als je binnenkomt, van plek tot plek gaat, op een bepaalde plek verblijft, en weer naar buiten gaat. Daar heeft hij me zeker de ogen voor geopend." (14) Het ontwerp van de Letterenfaculteit zou altijd een gevoelig onderwerp blijven, maar net als vroeger nam Theo Bosch het altijd op voor Van Eyck, zoals in 1986 toen hij een open brief schreef aan de gemeenteraadsleden en het college van B&W van Amsterdam over de voorgenomen sloop van het Burgerweeshuis: "Er bestaat nu de mogelijkheid opnieuw blijk te geven van uw cultureel besef." (15).
Theo Bosch architect
De ambitie om een eigen bureau te voeren leefde al enige tijd. Guus Knemeijer, werd in 1984 de rechterhand van Theo Bosch. Tijdens de ontbinding van de samenwerking waren de projecten verdeeld tussen de werk- (Aldo van Eyck) en uitvoeringsfase (Theo Bosch). In eerste instantie waren er weinig nieuwe opdrachten voor het bureau van Bosch en ook wat betreft de Nieuwmarktbuurt was de grootste drukte achter de rug. Bosch verdiende bij door in Duitsland lezingen te geven, waarmee hij het loon van Knemeijer kon betalen. Duitsland bleef een aantrekkelijk werkterrein, ook in de periode waarin Bosch het er eigenlijk te druk voor had. De naam van zijn bureau werd gevestigd met het ontwerp voor de Sijzenbaan in Deventer. Hiervoor werden onderscheidingen uitgereikt, het project kreeg (inter)nationale waardering en het leidde tot nieuwe opdrachten. Het bureau groeide recht evenredig met de nieuwe opdrachten. In een poging de kwaliteit van de Haagse architectuur te verbeteren, nodigde Adri Duivesteijn, wethouder Ruimtelijke Ordening en Stadsvernieuwing, Bosch uit om voorzitter te worden van de Welstandscommissie. Na enige aarzeling aanvaardde Bosch deze functie die hij met overgave vanaf 1987 zou vervullen. Ondanks het feit dat hij met het welstandswerk en het docentschap in Duitsland ontwerpwerk moest delegeren, ontging hem niets op zijn bureau. Daarbij gedroeg hij zich niet als betweter, maar als een gedreven architect die inzette op de hoogst haalbare kwaliteit.
De uitwerking van een van de laatste projecten voor de Nieuwmarktbuurt verliep nogal onverkwikkelijk. In 1990 ontstond een conflict rond het plan van Bosch voor de Keizerstraat, ??n van de laatste plekken voor aanheling. Bosch had consequent en nauwgezet het oude rooilijnenpatroon gevolgd waardoor er weinig ruimte was voor speelplekken. Buurtbewoners benaderden Aldo van Eyck, speelplekkenspecialist bij uitstek, om een alternatief plan te maken. Van Eyck nam geen blad voor de mond: "Er moet meer licht en lucht in, anders gaat de stad verdorie toch dood...." (16) Theo Bosch vond het "erg onverstandig van Van Eyck dat hij zich had laten gebruiken.", maar uiteindelijk werd geen van beide plannen uitgevoerd. (17) Vanaf die tijd liep zijn betrokkenheid bij de Nieuwmarktbuurt sterk terug. Tal van nieuwe ontwerpopgaven eisten inmiddels de aandacht op. In plaats van gas terug te nemen, deed Theo Bosch er eerder een schepje bovenop, zonder zijn sociale leven te veronachtzamen. De werkzaamheden werden onder meer uitgebreid met het stedenbouwkundig supervisorschap samen met Alle Hosper in Hilversum. De reizen naar Duitsland, het werk voor de Haagse Welstandscommissie, het drukke bureau en het bewogen sociale leven eisten de zwaarst denkbare tol. Theo Bosch overleed onverwacht aan een hartstilstand op 6 april 1994 te Amsterdam. Als hommage werden na zijn overlijden in 1994 kleine tentoonstellingen georganiseerd in de Driehoekjes aan de Groenmarkt in Den Haag en in de ARCAM-galerie aan het Waterlooplein in Amsterdam.
Compaan
Het bureau werd voortgezet door een aantal medewerkers van Theo Bosch (onder wie Frank Burger, John Rous en Guus Knemeijer) als Compaan. Daarmee konden belangrijke opgaven als de Rechtbank in Groningen in de geest van Theo Bosch worden uitgewerkt en met de begeleiding van de bouw worden afgerond. Ook projecten waarvoor Bosch alleen het schetsontwerp had gemaakt, werden tot een goed einde gebracht. Toen in 1998 het Rechtbank-gebouw in Groningen werd opgeleverd en de meeste door Theo Bosch in gang gezette projecten waren afgerond, werden de activiteiten van Compaan gestaakt en in 2001 werd het bureau opgeheven.
Een idealistisch, maar nuchter vakman op zoek naar een bewoonbare stad
Modernisme, CIAM en Team X
Om het werk van Theo Bosch goed op waarde te kunnen schatten, is het noodzakelijk kort stil te staan bij enkele naoorlogse ontwikkelingen in de Nederlandse stedenbouw en architectuur. Terugblikkend, lag de aantrekkingskracht van de vooroorlogse modernisering van de Nederlandse architectuur in het experimentele en kleinschalige karakter. Na de oorlog verwaterden de idealen van de modernisten. De modernisering van architectuur, stad en samenleving voltrok zich in een rap tempo. Oude centra van historisch gegroeide steden dreigden te verdwijnen door city-vorming. De toegepaste scheiding van stedelijke functies leidde overwegend tot saaie woonwijken, ge?soleerd gelegen bedrijfsterreinen en door kantoren gedomineerde stadsdelen. Theo Bosch was gefascineerd door het werk van de modernisten van het eerste uur, van de openheid en eenvoud van het werk van Duiker en Rietveld. Hij zag ook hoe de idealen van de modernisten waren verschraald en verklaarde zich een fel tegenstander van op functiescheiding gebaseerde planologie, van de vernietiging van historische binnensteden en van architectuur waarin de menselijke maat ver te zoeken was.
Buiten de polemieken met traditionalisten, kwam de meest heftige kritiek op het modernisme kort na de oorlog vanuit eigen gelederen. Dat gebeurde onder meer tijdens de CIAM's (Congr?s Internationaux de l'Architecture Moderne), waar modernistische architecten elkaar ontmoetten. Tijdens het negende congres in Aix-en-Provence in 1953 uitten Allsion en Peter Smithson kritiek op stedenbouwkundig idee?goed van de CIAM. Het tiende congres in Dubrovnik in 1956 bracht nog meer interne conflicten. Vooral Aldo van Eyck trok fel van leer. Van Eyck was niet de enige criticus binnen eigen gelederen, maar wel ??n van de scherpste verwoorders van de kritiek. Tijdens dit congres werd de jonge groep architecten die elkaar vonden in hun kritiek op de CIAM voorzien van de naam Team X. De afscheiding van Team X betekende in de loop van de jaren zestig de nekslag voor het internationale CIAM. Team X kende Aldo van Eyck en Jaap Bakema als Nederlandse leden en medeoprichters. Het uitgangspunt van Team X was de vorming van een 'human association'. Team X had net als de CIAM een internationaal karakter. De Nederlandse leden richtten zich op de kritiekloze meegaandheid met de veranderingen in de Nederlandse samenleving. Hun spreekbuis werd het tijdschrift Forum, dat zich, als radicaal tijdschrift met een uitgesproken visie, voegde in de reeks van De Stijl, De 8 en Opbouw. Forum was niet het offici?le orgaan van Team X, al werden sommige idee?n er wel in verwerkt. Forum had grote impact in verschillende kringen, alleen al door de opvallende vormgeving, het collage-achtig karakter en de avantgardistische typografie van Jurriaan Schrofer.
Forum
Dick Apon, Gert Boon, Joop Hardy, Herman Hertzberger, Jaap Bakema, Aldo van Eyck en Jurriaan Schrofer voerden de redactie van het tijdschrift Forum gedurende de jaargangen 1959 tot en met 1963. Een 'postuum' nummer van deze redactie verscheen in 1967. Het tijdschrift bestond sinds 1946, als spreekbuis van Architectura et Amicitia. Toen de voorzitter Auke Komter een spanningloosheid zag intreden, ging hij met redactielid Gert Boon op zoek naar een meer dynamische redactie en gaf een informatieopdracht aan Dick Apon. In overleg met architect Boon (redactiesecretaris en vormgever) werden Bakema, Hardy, Van Eyck en Schrofer benaderd. Als frisse kracht werd door hen de net afgestudeerde Hertzberger aangetrokken, bij wie de redactievergaderingen plaatsvonden: "het heeft me vaak verbaasd dat die mensen er elke keer weer stonden. God, ik kocht dan maar goedkope wijn en telkens werd er gekankerd op die wijn, maar ze bleven toch komen." (18)
Forum introduceerde een anti-institutionele en humanistische manier van denken en in hun kritiek moest vooral de Nederlandse bouwpraktijk het ontgelden. Het eerste nummer presenteerde 'het verhaal van een andere gedachte', een thema dat later werd uitgewerkt met 'het andere wonen'. De andere gedachte was een app?l aan vakgenoten de verstoorde relatie tussen mens en omgeving te herstellen. "Het nieuwe Forum heeft maar ??n verhaal; het verhaal van een bewoonbare stad, een bewoonbaar huis. Het verhaal van een menselijke en menswaardige architectuur." (19) Weliswaar had 'de andere gedachte' bij Aldo van Eyck een specifieke invulling die was gekoppeld aan zijn relativiteitsdenken, de algemene boodschap luidde dat architectuur en stedenbouw weer samenhangende disciplines moesten worden. Daarbij werd niet alleen de moderne beweging bestreden, maar vooral de verschraalde wetenschappelijkheid in relatie tot het groeiende bureaucratisch apparaat. In plaats van ontwerpen te baseren op afzonderlijke functies (hetgeen volgens de Forum-redactie alleen maar tot een analytische, kille omgeving kon leiden), moest worden uitgegaan van menselijke samenlevingspatronen. Zaak was op elk schaalniveau vorm te geven aan de rijkdom en gevarieerdheid van de samenleving in kwestie. "Wij staan voor de noodzaak een structuur of vormen te cre?ren die zich in de tijd kunnen ontwikkelen, die, zowel na de aanzet als in hun verdere groei, ??n geheel blijven vormen en de samenhang der delen handhaven." (20) De bestudering van 'andere' samenlevingsvormen en culturen, waarin de relatie tussen mens en omgeving niet verstoord was, moest hierin de weg wijzen. Wereldreiziger Aldo van Eyck bracht primitieve culturen onder de aandacht waarin deze harmonie bestond, zoals in de kasbahs. Maar ook andere redactieleden leverden bijdragen, zoals Herman Hertzberger die met Van Eyck het nummer over de Pueblo-indianen verzorgde.
Het jargon was totaal anders dan dat van de modernisten, die met 'zij' werden aangeduid in de door Van Eyck geformuleerde opgave voor de ontwerper: "maak van ieder raam een gelaat en van iedere deur een groet. Een tros plekken van ieder huis en iedere stad - maak bovendien van ieder huis een kleine stad en van iedere stad een groot huis. Bouw de contravorm van het gemoed voor ieder en voor allen, want zelf doen zij het niet meer." (21) Deze oproep stoelde voor een belangrijk deel op beroepsethiek. De Forum-redactie beschouwde het als de taak van de architect bewoonbare steden te maken. Na eeuwenlang onderworpen te zijn geweest aan principalen, moest de architect van de nieuwe generatie niet meelopen aan de hand van de opdrachtgever. Van Eyck pleitte voor de terugkeer naar kleinschalige bureaus en een min of meer ambachtelijke beroepsuitoefening. Dit stond op gespannen voet met de opgave die er lag in de Nederlandse volkshuisvestingspraktijk: de woningnood kon niet worden gelenigd met louter kleinschalige projecten. Schaalvergroting was onontbeerlijk. Forum noemde dit het probleem van het ?grote aantal?. Jaap Bakema, die in velerlei opzicht de tegenpool was van Van Eyck, loste dit als ontwerper op met herhaalbare patronen, met stempels en wooneenheden. Van Eyck introduceerde thema's als: het cluster, de drempel, de deur en het raam, de ontmoeting en ?de gestalte van het tussen'. Dit ?tussen? toonde Van Eyck als dualistisch denker. De deur functioneerde bijvoorbeeld als metafoor van de verbinding tussen openheid en geborgenheid. Van Eycks dualisme was gebaseerd op de gedachte 'om niet hi?rarchisch te zijn, moet architectuur wederkerige patronen hebben'. In deze opvatting is de 'drempel' de centrale metafoor: het tussen, de overgang, verbindt twee verschillende, vaak in karakter tegengestelde gebieden, ruimten of plekken. In eerste instantie wordt de relatie tussen binnen en buiten gelegd.
De invloed van Forum
Strikt genomen was Forum een tijdschrift, maar later werd er gesproken over Forum-architectuur en de Forum-groep. Dit was mythevorming achteraf. Forum representeerde geen homogene stijl, daarvoor waren alleen al de verschillen tussen de drijvende krachten Van Eyck en Bakema te groot. Wel werd een algemene, nieuwe architectuur- en maatschappijvisie ge?taleerd. Joop Hardy recapituleerde de ideologie: "Forum wilde [...] een imaginaire stad bouwen, waarin de betekeniswereld van ziel en droom [...] van de surrealisten niet verloren is gegaan. Een stad waarvan de architectuur als kunst een oorspronkelijke ontsluiting is van de werkelijkheid." (22) De meeste redactieleden doceerden op de Amsterdamse Academie van Bouwkunst. Zij raakten ge?nspireerd door het werk van leerlingen als Joop van Stigt en Piet Blom. Vice versa oefenden hun idee?n grote aantrekkingskracht uit op veel studenten. In de symbiose tussen studenten en docenten was Aldo van Eycks leerling Piet Blom een sleutelfiguur. Hij leverde zelfs een belangrijke Forum-bijdrage met 'de steden zullen dorpsgewijs bewoond worden'. Dit was ook de steen des aanstoots voor een conflict, want Jaap Bakema voelde zich gepasseerd door een tweedejaars student. Het tijdschrift riep zeer uiteenlopende, soms extreme reacties op. De nieuwe koers drong door tot de algemene pers en ondervond sympathie van de Tijd en de NRC. In professionele kringen kon men - aanvankelijk - niets 'nieuws' ontdekken. De architect Oud zond zijn strandboulevard-ontwerp uit 1917 in, met de kanttekening "ik deed 40 jaar geleden al aan kasbah." (23) Het buitenlands vakpubliek was veel positiever en dat bracht vooral Van Eyck veel gastdocentschappen.
Theo Bosch kwam als timmermanszoon terecht in deze voor hem volkomen nieuwe constellatie. Toen hij zijn studie aan de Academie van Bouwkunst begon, werd het klimaat voor een belangrijk deel bepaald door de binnen Forum ontwikkelde idee?n. Het werd een voedingsbodem voor de ontwikkeling van Bosch. Nu werden in die tijd wel meer architecten door Forum be?nvloed, maar voor Bosch bleef het gedachtegoed richtinggevend tijdens zijn verdere loopbaan als architect. Compacte functiemenging was ??n van de belangrijkste uitgangspunten. "In de Forum-periode is er op gehamerd dat alles naast elkaar functioneert. Nu wordt alles uiteengetrokken en er wordt niet meer ge?ntegreerd gedacht. Terwijl de maatschappij steeds gecompliceerder wordt, wordt de gebouwde omgeving steeds eenvoudiger en eentoniger." (24) Dini van Heiningen herinnerde zich dat Theo Bosch alle Forum-nummers in huis had en deze verslond, maar met evenveel belangstelling een Noors tijdschrift over houtskeletbouw las. (25) Theo Bosch heeft geen architectuurtheorie ontwikkeld en zijn hoogste filosofie was het geluk en welzijn van de mens, en dat sloot goed aan op de idee?n van Forum. Later vergeleek Bosch het met ?een andere wereld? of ?een ander nest?, waarin hij als architect groeide. Een wereld waarin kunst en verbeelding een belangrijke rol speelden, ondanks het feit dat Bosch zijn rol als architect niet gelijkstelde aan kunstenaarschap. Eenmaal werkzaam bij Aldo van Eyck werd de invloedsfeer van de avant garde-kunst van de twintigste eeuw manifest, maar de deur naar deze wereld was vooral geopend door docent Joop Hardy. Hardy was de enige Forum-redacteur van dezelfde generatie als Bakema en Van Eyck. Hij was een persoonlijke vriend en geestverwant van Aldo van Eyck, had een soortgelijk relativistisch wereldbeeld en anarchistisch geori?nteerde maatschappijvisie. Hij had schilderen en grafiek gestudeerd aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag en was via zijn leermeester Paul Citroen in contact gekomen met avantgarde kunst. Samen met Van Eyck had hij een docentschap geaccepteerd aan de Academie in Enschede, die was opgezet in de Bauhaus-traditie. Later werd Hardy er directeur. Hij was niet zozeer schrijver, maar werkte vooral met 'beelden'. Ook zijn bijdrage voor Forum lag vooral op visueel terrein. Zijn kennis was enorm, maar niet encyclopedisch en vooral zintuiglijk opgebouwd. Hardy confronteerde zijn studenten met beelden uit zijn 'muse? imaginaire'. Dat vond hij veel belangrijker dan een intellectuele analyse. Hardy pleitte voor het kunstenaarsschap van de architect, die vorm moest geven aan de 'ruimte voor het totale leven'. Zijn benadering sprak Theo Bosch aan. Later verklaarde hij dat Hardy zijn observeren activeerde en zijn ogen opende voor de relaties tussen verschillende culturen. "Het verrijken van het gewone...Aldo van Eyck is daarin een belangrijke aangever geweest, naast Joop Hardy die kunstgeschiedenis doceerde op de Academie en daar van alles bij betrok. Hij was een geweldige eye opener die verbanden legde tussen van alles. Van dada tot ....hoe woestijnbewoners slapen. Een heel breed scala van waarnemingen. Een bijzondere ervaring en vanuit die aandacht voor de omgeving probeer ik nog steeds gebouwen te maken....."(26) Aldo van Eyck schreef een In Memoriam: "Hardy vond de intimiteit die hij zocht in een door hem zelf geassembleerde werkelijkheid; in kunstwerken; in het kunst-(fijn)-zinnig geprofileerde [...] hij spoorde verleden en heden aan, in elkaar te schuiven, ter wille van een milder tijdsbesef." [...] "Hij was een leven lang op zoek naar schoonheid, ontvoering en vervoering door werelden van kunst. Dit, ?n zijn gewoonte en gave anderen mee te nemen - op hun beurt te vervoeren - tekende hem." (27) Van Eyck, de man die sprak "met 1000 woorden per minuut", was tijdens de oorlog via Zwitserland terechtgekomen in het avantgarde milieu waarover Hardy zo meeslepend kon vertellen. Na de oorlog werkte hij bij Van Eesteren bij Publieke Werken in Amsterdam en ontwierp veel speelplaatsen. Zijn teleurstelling tijdens het lidmaatschap van de 8, de Opbouw en CIAM was gedeeltelijk te verklaren door de minimale belangstelling voor avantgarde-kunstenaars van de twintigste eeuw, die hij als de 'great gang' bestempelde. Hij verwierf reputatie als polemist en pas toen hij redactielid werd van Forum, werkte hij aan zijn eerste grote opdracht, het Burgerweeshuis in Amsterdam. Als ontwerpers waren Bosch en Van Eyck tegenpolen. Bosch was pragmatisch ingesteld, werkte consistent en was doelgericht productief. Van Eyck was grillig, twijfelde, veranderde eindeloos en probeerde volgens Theo Bosch van elk gebouw een kunstwerk te maken. Op momenten van bezinning kon Bosch zijn werkwijze wel op waarde schatten, zoals bij het door hem zo bewonderde Sonsbeekpaviljoen: "tegelijkertijd toonde hij hier dat hij virtuoos kan zijn, zonder zich te laten meeslepen door zijn eigen virtuositeit. Juist doordat Aldo voortdurend twijfelt, in dualisme verkeert, en steeds opnieuw iets bedenkt dat hij daarna zelf weer kritisch gaat bekijken, juist daardoor komt hij tot kwaliteit." (28) In de praktijk had Bosch echter vaak moeite met de houding van Van Eyck. Al in het begin van de samenwerking stelde hij: "Eigenlijk vind ik Aldo van Eyck meer een filmer dan een architect: hij denkt als een filmregisseur, in beelden, niet in constructies." (29) Maar wat hen bond, en wat voor Bosch - na op diverse architectenbureaus te hebben gewerkt - nieuw was, was de fundamentele benadering van de architectuur (zoals het ?goed gedrag? van een nieuw gebouw in een bestaande omgeving) en van het vak als zodanig. In de bereidheid om stelling te nemen tegen welke actor in het bouwproces dan ook, om niet slaafs mee te lopen aan de hand van de opdrachtgever, vond Van Eyck in zijn aanzienlijk jongere medewerker een mentaal sterke evenknie, die in de kracht van zijn leven stond. De eerste jaren zoog Bosch de nieuwe beelden en idee?n op als een spons, was onder de indruk, maar bleef tegelijkertijd nuchter. Hij wist de niet altijd even toegankelijke denkbeelden van Van Eyck te vertalen naar zijn ontwerpen, zoals het dualisme van het 'tussen'. "Ik heb vooral in het begin van onze samenwerking veel opgestoken van Van Eyck. Zijn idee?n over de ingang van een gebouw vind je bijvoorbeeld ook terug in mijn architectuur: ik probeer tussen een gebouw en de straat vaak een dubbelzinnig gebied te maken, een overgangsgebied waarvan niet meteen duidelijk is waartoe het behoort (...) zoals bij de onderdoorgang in de Letterenfaculteit: men loopt bijna ongemerkt het gebouw in. Het binnentreden mag niet te abrupt zijn." (30)
Wat betreft de ontwikkeling van het configuratief ontwerpen en het structuralisme speelde Van Eyck niet zo?n grote rol. Het waren Theo Bosch en even later Lucien Lafour die in dit opzicht een stempel drukten op het bureau-oeuvre vanaf het eind van de jaren zestig. Na de Forum-periode had Van Eyck zich gedistantieerd van het probleem van ?het grote aantal?. Van Eyck was radeloos na de vernietigende kritiek van de architecten Jaap Bakema en Peter en Alison Smithson op de idee?n van zijn kroonprins Piet Blom. De Smithsons noemden het door Blom zo gewaardeerde structuralisme zelfs ?fascistisch?. Van Eyck had eerder een lans gebroken voor het werk van Piet Blom. Als conclusie van 'het verhaal van een andere gedachte' werd door Van Eyck nota bene niet het Burgerweeshuis gepubliceerd, maar een studieplan van Blom, die later de Prix de Rome zou krijgen. Met name tijdens de Academietijd bestond intensief contact tussen Theo Bosch en Piet Blom. In tegenstelling tot Aldo van Eyck kwam Piet Blom geregeld naar Ransdorp. Vaak was daar ook Lucien Lafour. Bosch ontwikkelde een architectonisch idioom dat was gebaseerd op het door Blom ge?ntroduceerde structuralisme. Dit komt tot uitdrukking in het prijsvraagontwerp voor het scholencomplex in Bocholt, de uitbreiding van de KRO-studio?s en het afstudeerproject van Theo Bosch, het zogenaamde 'woningdak'. Piet Blom stimuleerde Theo Bosch af te studeren op een project in de Jordaan en speelde ook een rol in het verstrekken van de opdracht voor de vernieuwing van de Palmdwarsstraat. De idee?n van Blom over de stad en stadsvernieuwing vonden gretig gehoor bij Bosch. Met de structuralistische ontwerpmethode konden die idee?n gestalte krijgen. Op de keper beschouwd heeft Theo Bosch hieraan meer invulling kunnen geven dan Piet Blom zelf. Alleen al vanwege het feit dat Blom nooit de gelegenheid heeft gekregen om in de door hem zo geliefde Jordaan te bouwen en de overbouwing van de Blaak in Rotterdam met de 39 kubuswoningen als stedenbouwkundige ingreep niet echt een succes is geworden. Theo Bosch constateerde over de eerst gerealiseerde opgetilde woningen van Blom: "Helaas is dat gemaakt op een verkeerde plek in Hengelo, in plaats van in de Dapperbuurt of de Pijp. D?t had stadsvernieuwing kunnen betekenen." (31) Ook Blom verwoordde zijn teleurstelling "Ik heb een ontzettende hekel aan het opgesplitste, het ge?soleerde wonen [...] Begrippen als woongebouw, woonstraat, woonerf, woonomgeving en woonverzorging bewijzen op zichzelf al hoe afschuwelijk akelig het allemaal is [...] Ik heb me met wonen bezig gehouden in de veronderstelling dat het iets warms was, iets animaals, iets dat de grondstof moest zijn van het stedelijk leven. Maar dat is me niet gelukt. Wonen is ook in mijn handen functionalistisch, koud en ambtelijk gebleven." (32)
Configuratief ontwerpen, structuralisme, contextualisme, de 'nieuwe kneuterigheid' en the New Amsterdam School
Configuratie bestaat uit de ordening van verschillende elementen tot ??n coherente figuur. Het kleine element is daarin een onlosmakelijk onderdeel van het grote geheel. Het structuralisme is geworteld in de relativiteitsleer, de lingu?stiek en de filosofie van Levi-Strauss, Foucault en Barthes. In de architectuurtheorie wordt de door Piet Blom ge?ntroduceerde term structuralisme gelijk gesteld aan configuratief ontwerpen.
Voor de Forum-redactieleden gaf het configuratief ontwerpen de mogelijkheid stedenbouw en architectuur met elkaar te verbinden. Inspirerende voorbeelden werden ontdekt in vreemde culturen, zoals de halfronde megavorm met wooncellen van de Pueblo-indianen. Herman Hertzberger stelde: "Het configuratieve proces ging uit van kleine eenheden die niet door optelling maar door verweving (of vermenigvuldiging) met elkaar werden verbonden, zodanig dat je steeds, waar je ook bent, niet alleen je eigen kleine eenheid, maar tegelijkertijd het geheel beleeft. Aldo had hiertoe met het Burgerweeshuis een weg geopend." (33) Hij had de verweving van kleine eenheid en groot geheel ontdekt bij de Dogon in Mali en verwoordde die ervaring als "mijn huis is mijn dorp, mijn dorp is mijn huis." (34) Enkele Team X-leden (en met name de Smithsons) keurden het configuratieve ontwerpen echter af. Aldo van Eyck en zijn leerling Piet Blom waren uit het veld geslagen bij de felle kritiek op het afstudeerproject van Blom. Blom smeet zijn maquette in de vide van het schoolgebouw. De andere maquettes gooide hij uit het zolderraam van zijn woning. (35) Toch ging Blom op de ingeslagen weg door en zijn werk werd zelfs exuberanter, terwijl Van Eyck zijn belangstelling in het verweven van herhaalbare types verloor. Vanaf die tijd groeiden Piet Blom en Aldo van Eyck uit elkaar.
In de jaren zeventig was het configuratief ontwerpen bepalend voor het werk van het bureau Van Eyck en Bosch. Uiteindelijk werd de Letterenfaculteit een van de hoogtepunten van het configuratief ontwerpen. Bosch ontwikkelde een structuur waarmee een groot gebouw kleinschalig werd geleed en bovendien gerelateerd aan de menselijke maat. De gebruikers van de faculteit ervaren het grote gebouw als een kleine stad. Het gebouw is qua beleving vergelijkbaar met ontwerpen van Herman Hertzberger voor grote kantoorgebouwen, zoals Centraal Beheer in Apeldoorn. Ook in de woningarchitectuur van de stadsvernieuwing ontwikkelde Bosch een structuralistisch idioom. Hij streefde ernaar, op het schaalniveau van de stad, het kleine niet verloren te laten gaan in het grotere geheel. Dit werd bereikt met de ontwikkeling van diverse woningtypen die bij herhaling en schakeling, eenheid in verscheidenheid geven. Met repetitie van verschillende woningtypen en variaties in het gevelontwerp werd monotonie vermeden en recht gedaan aan de stedelijke complexiteit. Stedelijke functies werden over de configuratieve structuur verspreid. Bosch gaf aan, hierin veel geleerd te hebben van Van Eyck: "Dat is iemand die niet alleen veel completer naar structuur kijkt, maar ook naar hoe een stad als cultuur functioneert..." (36) Over de architectuur in de Nieuwmarkt vertelde Bosch later: "Soms is de structuur misschien wat te gedetailleerd waarneembaar, terwijl het wel wat rustiger had gekund." (37) E?n van de bijzondere kwaliteiten van zowel de Nieuwmarkt als de Letterenfaculteit is dat geen plek hetzelfde is, ondanks de waarneembare grotere structuur. Het werk van Bosch en Blom kreeg navolging, maar in veel gevallen werd de noodzaak tot variatie niet onderkend en werd onbezield gerepeteerd. Zo verrezen bijvoorbeeld kantoorgebouwen, die kleinschalig geleed, het uiterlijk hadden van woongebouwen, maar vaak kop noch staart hadden. De ?rafelige?, kleinschalige architectuur, uitwassen van het configuratief ontwerpen, werden later door Carel Weeber als 'de nieuwe kneuterigheid' bestempeld. Jules Deelder noemde het 'het zoveelste werk van het bureau Vaaghuizen en Van der Meut.' (38)
In Duitsland en Engeland bestond veel waardering voor de Nederlandse structuralistische aanpak. De Engelse architectuurcriticus Peter Buchanan lanceerde de term 'New Amsterdam School' voor de Amsterdamse tak van het structuralisme. Buchanan zag dusdanige overeenkomsten in de projecten van het bureau Van Eyck en Bosch dat hij daadwerkelijk meende van een 'school' te kunnen spreken, met haar wortels in de traditie van de Amsterdamse School. Buchanan prees de rijke gebruiksmogelijkheden, de rijke beleving van de architectuur en de goede sociale inbedding. Naast Aldo van Eyck en Theo Bosch werd ook werk van Cees Nagelkerke, Van Herk en de Kleijn, Hertzberger, Soeters en De Ley genoemd. Maar de beste gebouwen in de Nieuwmarktbuurt schreef hij toe aan Theo Bosch, "an acolyte, several years his (Aldo van Eyck?s, MT) junior" en "a talented architect and his own man - yet almost every line shows the inspiration of Van Eyck". (39) Buchanan betreurde de ontbrekende symmetrie van de traditionele grachtenpanden, vond het kleurgebruik wat misplaatst, maar prijst de woningplattegronden en vooral de maisonnettes met dubbelhoge ruimtes. Buchanan achtte de Letterenfaculteit en het Pentagon meer schatplichtig aan het modernisme, maar dan met een 'regionalistisch' karakter. De bewondering voor de Letterenfaculteit stoelt vooral op de manier waarop met een relatief eenvoudig concept, een complex programma wordt geaccommodeerd. Het Pentagon kreeg alle lof, al achtte Buchanan de arcade wat aan de smalle kant. (40)
De stad als georganiseerde chaos
In het begin van zijn loopbaan als architect, ontwikkelde Theo Bosch een visie op de stad die voor de rest van het leven de basis vormde voor zijn stedenbouwkundige ontwerpen en architectonische uitwerking ervan. Met name in zijn rol als voorzitter van de Haagse Welstandscommissie kon hij die visie breed uitdragen. Of het nu de binnenstad betrof of een uitbreidingswijk, volgens Bosch bestond stedelijk leven bij de gratie van een kleinschalige verweving van functies, ogenschijnlijk chaotisch, maar wel degelijk georganiseerd. "Er is een tendens de stad als woonomgeving te verkiezen. Na de jaren van het uitstoten van bewoners uit de binnenstad. En waarom? Alle activiteiten zijn dichtbij huis. Ook voor uitbreidingswijken zou je een gecompliceerde omgeving qua gebruik moeten realiseren. Al die Nederlandse vakantiegangers in Zuid-Europa zoeken die gecompliceerdheid.... De Pijp is qua verkavelingsstructuur misschien niet interessant en de straten zijn soms smal en goor. Maar het heeft de Albert Cuypmarkt. Mede daarom is het een uiterst populaire woonwijk. Mensen moeten de stad voelen als tweede huid.....dat kan volgens mij nooit in een buitenwijk. Daar leid je een ander leven." (41) Monofunctionaliteit werd als dodelijk voor de levendigheid van de stad beschouwd. "Een binnenstad moet een georganiseerde chaos zijn, vol afwisseling, met een garage naast een antiekzaak. Maar als je ziet wat er in de negentiende eeuwse wijken gebeurt: er worden daar heel veel woningen neergezet. Ja, er wordt 'gehuisvest', maar verder gebeurt er niets. De grote fout van de tuinsteden wordt daar nu herhaald en er ontstaan steeds meer saaie wijken." (42) Vanuit die visie stelde Bosch herhaaldelijk dat er op de keper beschouwd na 1945 niet daadwerkelijk stedenbouw was gerealiseerd, omdat "nergens op ge?ntegreerde wijze is geprobeerd, een nieuw stukje stad te maken." (43) Om trouw te blijven aan die overtuiging weigerde Bosch, hierin gesteund door Van Eyck, in de jaren zeventig mee te werken aan de planvorming voor Almere. Niet alleen omdat zij geen bijdrage wilden leveren aan het cre?ren van slaapsteden (en daarom verwachtten dat Almere nooit een echte stad zou worden), maar vooral omdat zij tegenstanders waren van het zogenaamde overloopbeleid.
Met een verwante benadering, zette Bosch vraagtekens bij de programmatische inhoud van de stadsvernieuwing. Begin jaren negentig constateerde hij dat wat stadsvernieuwing werd genoemd, in wezen niet veel meer was dan ?woningvernieuwing?. Bovendien was die woningvernieuwing qua woningtypologie en financieringscategorie eenzijdig en pleitte hij voor menging van particuliere projecten en woningwetwoningen. Bosch miste een ge?ntegreerd beleid en constateerde dat het beleid al op het hoogste niveau, bij het Ministerie van VROM, gesplitst was. In de Nieuwmarkt-periode waren de portefeuilles Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting respectievelijk ondergebracht bij de Wethouders Van der Vlis en Genet. Die splitsing was door Jan Schaeffer doorgevoerd, om de woningproductie op gang te brengen. Om te ontkomen aan een eenzijdig programma van eisen, ging Theo Bosch dus zelf de arena in, waar veel architecten nog hun ivoren toren verkozen. Hij kon niet altijd 'winnen', maar opvallend vaak kon hij de zaken naar zijn hand zetten. Dat begon eigenlijk pas echt tijdens de Nieuwmarkt-periode. Tot 1980 was daar geen bestemmingsplan en de positie van het bureau Van Eyck en Bosch was enigszins ambivalent. De opdracht was in wezen officieus. Bosch had echter het vertrouwen van de bewoners en de gemeente kon niet om hem heen. Tijdens zijn voordracht in het kader van de Wibautprijs vertelde hij vergenoegd hoe hij zich opstelde tegenover Wethouder Lammers. "Ik had goed door (en genoot er zelfs van) dat Lammers klem zat omdat er allerlei problemen binnen ??n week speelden. Ik werd uitgenodigd te komen praten over die rooilijnkwestie. Bij binnenkomst zei hij: 'Bosch, we moeten eruit komen'. Ik zei dat dat alleen mogelijk was door mij gelijk te geven." (44) Bosch was ondenkbaar zonder humor, maar rationele argumenten en volhardendheid legden daadwerkelijk gewicht in de schaal bij het Nieuwmarkt-project. Iedere keer moest hij het Amsterdams Grondbedrijf overtuigen van het rendement van bedrijfsruimtes. Het functioneren in de praktijk bewees zijn gelijk. Niet altijd hoefde Bosch zijn mouwen op te stropen. In sommige gevallen wist hij zijn opdrachtgever al in een vroeg stadium met argumenten te overtuigen en voor zijn idee?n te winnen, zoals bij het Sijzenbaan-complex in Deventer.
De verweving van functies moest volgens Bosch dan ook zo vroeg mogelijk in het planproces worden ingebracht. "Als je nu geen bedrijfsruimtes bouwt, dan kan het straks niet meer. Ook via erfpacht kan je sturen, door minder geld te vragen voor die gebieden waar bedrijvigheid gestimuleerd moet worden. Als een injectie in een stadsvernieuwingsgebied" (45) Over een woningbouwplan van Weeber naast een nieuw bedrijvenpark in Amsterdam Zuid-Oost kon hij verbolgen raken: "Als ik dat hoor, denk ik: hebben we dan niets geleerd? Het zou toch veel interessanter zijn om de woningen tussen die bedrijven neer te zetten. Het is wel moeilijker, maar dat is nu juist de uitdaging die mij aantrekt." (46) Meer en meer raakte Bosch ervan overtuigd dat in de stedenbouwkundige planvorming de grootste fouten werden gemaakt. "De idealistisch opgezette Bijlmermeer is daarvan een tragisch voorbeeld. Eenvoudigweg door het monofunctionele programma. En door het scheiden van alle verkeerstypen dat nog onveilig blijkt te zijn ook. Ik verwijt niemand iets en ik vind niet dat het gesloopt moet worden. Je zou intensief tussen de stroken moeten kunnen bouwen, met behoud van de aanwezige groenkwaliteiten. Daarvoor moet de hegemonie van die honingraatstructuur op plekken wel worden doorbroken. Verder is de opgave de grote bestaande woningvoorraad zinniger met de begane grond te verbinden. Het zou goed zijn juist nu eens kritisch te kijken naar het ideaalbeeld van de CIAM dat model stond voor de Bijlmermeer. In deze periode van monocultuur waarin eigenlijk geen moer gebeurt...ik vind het vreselijk." (47)
Wisselwerking tussen gebouw en stad
Van primair belang voor ieder bouwproject was dus de programmatische inhoud. Ideologisch beschouwd was de stad de opdrachtgever van Theo Bosch, en niet de ontwikkelaar met zijn programma van vierkante meters. Uit respect voor de bestaande omgeving, was Bosch dan ook van mening dat gebouwen iets moesten ?teruggeven? aan de stad, een meerwaarde moesten geven aan de omgeving. Die omgeving functioneert door menselijke activiteiten en wordt bepaald door structuur, schaal en maatverhoudingen. Theo Bosch schetste net zolang tot hij een oplossing had gevonden die het best in de bestaande context paste. Dat gold zowel voor grote verkavelingspatronen, als voor inpassingen van individuele gebouwen, voor een complexe binnenstedelijke situatie als de Torenhof, als voor een ogenschijnlijk eenvoudiger opgave als de Universiteit van Amsterdam aan het Binnengasthuisterrein. In dat opzicht toonde hij zich kritisch over ontwerpen van fameuze Nederlandse bureaus, als bijvoorbeeld OMA. "Het verkavelingsplan voor de IJ-oevers heeft niets met de omgeving te maken: een rechthoekig stratenpatroon (het New Yorkse voorbeeld waar Koolhaas zo van houdt) op een eiland projecteren zonder enige relatie met het omringende water....met dwarsverbindingen die nergens op aansluiten. Ik heb niks tegen een grid, in Barcelona vind ik het prachtig. Je moet alleen rekening houden met de omgeving waarin je bouwt." En, om bij OMA te blijven: "In het geval van Byzantium in Amsterdam wordt ontkend dat het gebouw met ??n kant in het Vondelpark staat [...] Mooi of lelijk is hier geen criterium. Het gebouw is blind." (48) Net als Van Eyck sprak Bosch over ?het gedrag? van een gebouw in zijn omgeving. En vaak lijkt het erop alsof de gebogen vormen van Bosch niet alleen ruimte maar ook de mens zelf proberen te omarmen, als ultieme expressie van de Forumgedachte. (49)
Theo Bosch was wars van trendy praatjes die zijn architectuur moesten legitimeren. Als Bosch sprak over zijn werk, dan betrof dat fundamentele kenmerken van de architectuur, zoals openheid, licht en lucht. Dat betrof de uitgangspunten van de modernisten van het eerste uur, maar ze waren ontdaan van de dogma?s de mens te willen heropvoeden. "Mijn architectuur is als een genereus gebaar naar de mens." (50) Daarmee doelde hij niet zozeer op het uiterlijk van het gebouw, als wel op het gebruik en de beleving. Mensen moeten zich primair prettig voelen in de gebouwen van Bosch. "Wat bij mij altijd voorop staat is dat gebouwen door mensen gebruikt moeten worden en dat ze zo aangenaam mogelijk dienen te zijn en dat gebouwen niet als een zwaar gewicht op je hoofd moeten rusten, maar een ontspannen atmosfeer geven. Dat heeft niet zozeer met wereldbeeld te maken, maar met de houding die je aanneemt in het vak. Een relativerende houding waarmee je ruimtes waarin mensen bivakkeren, zo aangenaam mogelijk probeert te maken." (51) Die ontspannen atmosfeer werd gecre?erd met licht, lucht en transparantie, door toepassing van veel glas, glazen bouwstenen en van vides, zowel in kantoren als in woningwetwoningen. Het uitgangspunt was zowel in de lengte- als in de hoogtemaat de totale plattegrond te benutten. Guus Knemeijer herinnerde zich dat Theo Bosch en hij ontzettend veel ruimtelijke schetsen maakten van woningen, waarin zij zochten naar mogelijkheden voor zichtlijnen. Dat werd opgelost met vides, maar ook met een breder trapgat of een raam in een tussenmuur. "In Zwolle werd de 2.25 meter vrije hoogte van de woningen bewust gekozen en was niet in het programma van eisen opgenomen. Theo achtte het ruimtelijk effect van de vides groter met een lage plafondhoogte." (52)
Het was de openheid van architectuur die hem aansprak, of het nu werk van Duiker betrof of het tentoonstellingspaviljoen bij Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam, naar ontwerp van Hubert Jan Henket. Bosch had een duidelijke afkeer van gesloten gebouwen, vooral als die geslotenheid zich manifesteerde in de plint. "Op de begane grond moet een gebouw 'open' en toegankelijk zijn, iets met de straat te maken hebben. De Letterenfaculteit is daarom geheel van glas op de begane grond, bovendien heeft het een onderdoorgang, een met witte zuilen gemarkeerde voetgangersonderdoorgang met vijf grote etalages voor een boetiek, twee boekwinkels en een caf?." (53) Door openheid en toegankelijkheid wordt een gebouw - en Letteren is daarvan een voorbeeld - deel van de stad en wordt het stedelijk leven binnen het gebouw voortgezet. Naast licht en lucht zijn ook informele plekken en routes belangrijk ?n het visueel contact met de omgeving. Als tegenhanger van de besloten plek moet een gebouw ook de beleving van ruimtelijkheid bieden. Bosch moest evenmin iets hebben van architectuur van het grootse gebaar, 'theaterarchitectuur' of architectuur die macht en daarmee impliciet onderdrukking representeerde. Eenvoud en onopvallendheid waren niet a priori het devies, want Bosch vond het prima als gebouwen een "eigen smoel" hadden. Maar gebouwen dienden volgens hem een eerlijk gezicht te hebben, in die zin dat hun karakter open en leesbaar was. Daarom werd ook de opdracht voor het gerechtsgebouw in Groningen geconcipieerd als ?gewoon' kantoor. Natuurlijk was er een specifiek Programma van Eisen (met bewaakte circuits), maar Bosch zag geen reden, waarom de gebruikers zouden moeten worden verstoken van licht en lucht. Een gesloten concept zou 'onnodig op de zenuwen kunnen werken. Theo Bosch had dus weinig op met architectuur die in zijn ogen te veel bedoeld was te imponeren. Vooral ontwerpen van Koolhaas en Weeber moesten het wat dat betreft nogal eens ontgelden. "Vervelend en saai. Zo'n gebouw als de Peperklip, je hebt geen idee wat een minachting voor de mens daaruit spreekt. De bewoners worden ondergeschikt gemaakt aan het ontwerp. Ik haat het idee te willen overdonderen en te imponeren." (54) Ook de 'theaterarchitectuur' van Ricardo Bofill kon zijn goedkeuring niet wegdragen: "Zo'n groots en imposant decor, met daarachter benepen woninkjes, dat is een belachelijke vertoning. De verhouding tussen inhoud en vorm is daarbij totaal zoek." (55) "In de bestaande stad past ook een modern, helder, leesbaar en functioneel gebouw, als het maar op de juiste wijze wordt ingepast." (56) Bosch lichtte deze stelling toe aan de hand van de Letterenfaculteit: "Het is een rustig gebouw, ik houd niet van schreeuwende gevels. De kleur is misschien wat eigenzinnig, maar het leek mij een goed idee om aan de donkere Spuistraat een minder donker gebouw neer te zetten en ook om aan het Singel een lichte gevelrij te maken. Het gebouw sluit links en rechts ook op witte huizen aan, dus zo vreemd is dat niet. De stad is al somber en zwaar genoeg." (57)
Bleef de polemiek met Carel Weeber indirect via vaktijdschriften en opiniebladen als Vrij Nederland, voor een uitzending van Teleac voerde Theo Bosch een debat met Pi de Bruijn, een van Weebers collega's in het Amsterdamse bureau Architecten Cie. Bosch constateerde dat het in eerste instantie kwalitatief goede werk van De Bruijn gaandeweg was verworden tot formalisme, een soort 'bekledingsarchitectuur', waarmee hij geen verwantschap meer voelde. Dat het met De Bruijn 'mis' was gegaan, verklaarde Bosch aan de hand van de nieuwbouw van de Tweede Kamer in Den Haag. Bosch pleitte ervoor constructieve elementen alleen te gebruiken waar ze daadwerkelijk nodig waren: "Zo'n kolom van 23 meter hoog aan het Tweede Kamergebouw die bijna niets draagt. Dat zou ik niet over mijn hart kunnen verkrijgen en de 'jonge' Pi volgens mij ook niet.....Dit soort middelen vind ik onbegrijpelijk. Zelfs Jo Coenen (die bij Van Eyck en Bosch had gewerkt, MT) krijgt daar de laatste tijd een beetje last van..." (58) Hier botsten verschillende benaderingen van architectuur. De Bruijn onderkende het belang van de modernisten maar had inmiddels andere fascinaties, zoals Moorse architectuur: "kom naar de Tweede Kamer en ik geef een college van een paar uur over Zuid-Spanje". (59) Pi de Bruijn beschouwde de "moraliteit van Theo Bosch als een restant van de sociale bevlogenheid van de jaren dertig waarin men dacht dat het goed was als een arbeiderswoning minstens drie uur zon per dag had op zijn balkon." (60) Die moraliteit stond volgens hem zwaar ter discussie. Bovendien waren er voor bewoners meer dingen om van wakker te liggen dan het feit of er voldoende winkels zijn. De Bruijn verweet Bosch te makkelijk te pretenderen waar de oplossingen liggen. De tijd was complexer dan Bosch voorspiegelde en De Bruijn zag een grote vari?teit in architectuur. Veel was oninteressant maar wat betreft de vakarchitecten stelde hij dat Weeber, Coenen en hijzelf zich niet 'minder' verantwoordelijk voelden voor hun projecten dan Bosch. En wat Weeber betreft. De Bruijn beschouwde hem als ??n van de weinige Nederlandse architecten die een stellingname in een discussie zou aankunnen, "een ondergewaardeerd theoreticus die een vaste lijn in zijn verhaal aanhoudt." Hoe lijnrecht hun opvattingen tegenover elkaar stonden, bleek uit De Bruijn's waardering voor de Peperklip: "een culturele toevoeging die de kern raakt van het Nederlandse Bouwen; een naoorlogse mijlpaal in de traditie van de Nederlandse sociale woningbouw." (61)
Vakman met zicht op essenties
Kenmerkend voor Theo Bosch was een fundamentele benadering van architectuur, zowel in theorie als in de praktijk. Zijn bouwtechnisch inzicht werd alom gewaardeerd en in sommige situaties, zoals tijdens vergaderingen van de Haagse Welstandscommissie, zelfs gevreesd. Architect Paul De Ley memoreerde in 1994: "Dat lezen van tekeningen. Het snel en grondig analyseren van andermans plannen en het van stimulerend commentaar voorzien. In je functie in de Haagse welstand prikte je daar menig plan mee door." De Ley vervolgde: "Er ontging je niets op je bureau. Als je langs de tekentafels liep zag je tot in de kleinste details, waar aanvullingen of veranderingen nodig waren." (62) Dit kan worden gestaafd aan eerdere uitlatingen van Theo Bosch zelf. "Er gaat hier geen tekening de deur uit zonder dat ik die heb gezien. Dat is de enige manier om de kwaliteit van het werk in de gaten te houden." (63) En dat was een bijzondere eigenschap en kwaliteit, mede gezien de drukte binnen zijn bureau. Theo Bosch gaf wel eens aan dat hij ook graag projectontwikkelaar of beeldhouwer had willen worden en heimelijk ook Rijksbouwmeester, maar was uitermate tevreden met zijn rol als architect, die hij met grote gedrevenheid vervulde. Want strijdlust was zijn handelsmerk. "Als je vanuit een culturele achterstand - want dat staat vast, als je zo streng Christelijk bent opgevoed in een arbeidersmilieu - besluit aan je droom toe te geven, weet je dat je een lange weg te gaan hebt, van avondschool naar avondschool." (64) Over het vak verklaarde hijzelf: "Ik heb altijd het gevoel gehad, dat dit vak mij op het lijf geschreven is. Ik houd ervan om me met het hele proces te bemoeien: ik heb drie-en-een half jaar lang elke dag een paar uur bij de bouw van de Letterenfaculteit rondgelopen om allerlei wijzingen aan te geven." (65) Ook wat betreft de rol van de architect was zijn benadering onwrikbaar en hij droeg dat uit, wars van sterallures. "Veel architecten zijn gewoon slappe zakken. Ze lopen alleen maar aan de leiband van de opdrachtgevers, die in hun kortzichtigheid niets beter weten te verzinnen van steeds meer van hetzelfde [...] Een architect moet weten wat hij doet, bereid zijn te knokken voor zijn werk." (66)
Wat betreft zijn bouwkundig inzicht speelden zijn vooropleiding aan de Ambachtsschool en UTS een sleutelrol. Het scherpe analytisch vermogen was een verborgen talent dat bij een groot inspirator als Aldo van Eyck tot wasdom kwam. De liefde voor architectuur kwam in dezelfde periode, toen Theo Bosch het werk van zijn eerste grote voorbeeld Frank Lloyd Wright leerde kennen. Iets later werd hij geconfronteerd met het werk van klassiek modernen als Mackintosh en le Corbusier. De jonge Bosch koesterde ook veel bewondering voor oude en nieuwe Japanse architectuur, met name voor het werk van Kenzo Tange. Maar het werk van Duiker en Rietveld, de eenvoudige openheid van hun architectuur, bleven een architectenleven lang inspirerend. En daarbij ook de Jugendstil. "De Jugendstil heeft mij geleerd hoe vrij je met ruimte om kunt gaan. De Jugendstil kwam met totaal andere oplossingen, met andere inzichten. In de Letterenfaculteit zijn voorbeelden te vinden die daar mee te maken hebben [...] Van Eyck klaagde dan wel eens dat 'bronnen die met mij te maken' hadden toch te zeer alleen marginaal waren terug te vinden in sommige gebouwen." Daar was Theo Bosch het dus niet mee eens. (67) Maatschappelijke bevl
|